Moet literatuur maatschappelijk relevant zijn?

In De bezinning wordt nagedacht over de (veranderende) rol van literatuur. Wat zijn de manieren waarop de literatuur een creatief antwoord biedt op de wereld waarin het is geschreven en gelezen? Hoe werkt literatuur als bron om de wereld beter te begrijpen en welke rol speelt de auteur daarin? In deze aflevering laten we schrijver Jeroen Theunissen aan het woord en beantwoordt hij de vraag: Moet literatuur maatschappelijk relevant zijn?

De roep om engagement in de literatuur is niet nieuw. Een jaar geleden vroeg schrijver A.H.J Dautzenberg: Schrijvers, waar is uw engagement? En ook schrijver Abdelkader Benali vindt dat te weinig schrijvers zich uiten over actuele zaken. Hij schreef op zijn Facebook: “Nederlandse auteurs hebben zich en masse uit wat voor engagement dan ook teruggetrokken”. Maar is er wel sprake van te weinig engagement in de Nederlandse en Vlaamse literatuur? Is het een trend geworden om te klagen over het gebrek aan maatschappelijke thematiek in romans? Jeroen Theunissen schreef een roman over een gekidnapte oorlogsfotograaf en een Syrische vluchteling en hij geeft op zijn blog diverse voorbeelden van schrijvers die maatschappelijke thema’s niet schuwen, zoals Annelies Verbeke met haar roman Dertig dagen (2015) over vluchtelingenkampen.

Theunissen is kritisch over de discussie omtrent het maatschappelijke engagement in literatuur. Hij vraagt zich terecht af of de actualiteitswaarde een goede maatstaf is in de beoordeling van literatuur. Is het boek van Verbeke meer waardevol en krachtiger dan een roman die de maatschappij ontloopt? Om boeken op deze manier met elkaar te vergelijken, lijkt mij ook niet nuttig. Schrijvers die geëngageerd schrijven en hun boek “zien uitmonden in de realiteit” moeten volgens Theunissen namelijk met twee problemen afrekenen:

“Ten eerste kan er weinig twijfel bestaan dat er voor wie de wereld wil verbeteren efficiëntere methodes zijn dan literatuur: een pamflet, een politieke partij, een medicijn, een actiegroep, een bom. Ten tweede dreigt de activistische agenda de literaire kwaliteit van het werk naar het tweede plan te duwen. Personages worden karikaturen. De stijl wordt veronachtzaamd. De gelaagdheid die de basis vormt van alle goede literatuur verdwijnt”.

De roman Kaddisj voor een Kut (2014) geschreven door de Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst had bijvoorbeeld weinig effect op de publieke opinie over jeugdinstellingen, maar werd geprezen of bekritiseerd op stijl, taal en het plot. Waarom had de roman weinig effect? Dit komt volgens Theunissen door de muur tussen kunst en de werkelijkheid. Wat in de werkelijkheid niet mogelijk is, kan wel in de kunst, maar alleen door deze muur. De kunstenaar is autonoom en heeft een vrijplaats waarin hij alle mogelijkheden heeft om, onafhankelijk van eisen van buitenaf, te experimenteren en zich uit te drukken:

“Een roman is niet het leven, maar een brok taal [..] De literatuur is een systeem met eigen wetten en regels, die verschillen van de wetten van de realiteit. Dit verklaart waarom meer participatie van zwakkere groepen in de maatschappij een goede zaak is, maar niet noodzakelijk betere literatuur oplevert”. 

De vraag is dus niet of engagement in literatuur noodzakelijk is, maar “of en hoe schrijvers naast tijdloze literaire thema’s, motieven en strategieën toch ook andere, aan tijd en plaats gebonden aspecten kunnen behandelen”. We moeten de scheiding tussen de realiteit en de literatuur dus ook niet te letterlijk nemen. Elk woord dat bijvoorbeeld Theunissen in zijn romans heeft geschreven, is door iemand anders eerder gebruikt. Literatuur is dus altijd verbonden aan de realiteit en daarmee ook maatschappelijk.

Maar is dit genoeg? Kan literatuur ook iets anders voor ons betekenen dan slechts een verzameling teksten die aan de realiteit is verbonden? Theunissen meent van wel en reflecteert op uitspraken van de Spaanse schrijver Javier Marías en zijn ideeën over het concept van literaire reflectie: “Misschien is literatuur niet alleen amusement, maar een vorm van kennis, een poging om het mysterie van het mens-zijn, de tragikomische onbegrijpelijkheid van het bestaan in taal te vatten. Het kernthema van de literatuur is het raadsel van het ik, het onvatbare geluk of ongeluk, als individu te bestaan”. Deze pogingen om de mysteries van de mens in taal te vatten houden nooit op, want het leven van mensen zal over honderd jaar anders zijn en daarmee verandert ook de reflectie op het mens-zijn in de literatuur.

Ten slotte benadrukt Theunissen het waardevolle cliché dat Bas Heijne in zijn essay Echt zien: Literatuur in het mediatijdperk (2011) schrijft, namelijk dat mensen altijd elkaar verhalen vertellen en die verhalen nodig hebben:“De wereld is inderdaad vol verhalen, maar de meeste ervan zijn dogmatisch en clichématig. De menselijke verbeelding legt een sluier over de werkelijkheid. Literatuur kan met fictie die fictie te lijf gaan. Een eenduidig inzicht biedt literatuur echter nooit, want haar kern is de complexiteit”.  Literatuur is dus altijd een poging om vanuit onze eigen tijd de menselijke realiteit in taal te vatten.

Zie voor de complete tekst de blog van Jeroen Theunissen. De tekst verscheen 23 september 2015 ook in De Morgen. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s