Elif Shafak: ‘Fictie kan de identiteitspolitiek overwinnen’.

Nederlandse tekst

Ik ben een verhalenverteller. Dat is wat ik doe in het leven: verhalen vertellen, romans schrijven. Vandaag zou ik jullie een paar verhalen willen vertellen over de kunst van het vertellen en ook over bovennatuurlijke schepsels, djinni genaamd. Voordat ik daarheen ga wil ik een glimp van mijn eigen verhaal met jullie delen. Ik zal dat doen met behulp van woorden, natuurlijk, maar ook met een geometrische vorm, de cirkel. Doorheen mijn verhaal zal je verschillende cirkels ontmoeten.

Ik werd geboren in Straatsburg, Frankrijk, uit Turkse ouders. Kort daarna gingen mijn ouders uit elkaar en ik kwam met mijn moeder naar Turkije. Vanaf dat ogenblik werd ik opgevoed als enig kind door een alleenstaande moeder. In het begin van de jaren zeventig was dat in Ankara nogal ongewoon. Onze buurt was vol met grote families waar vaders gezinshoofd waren. Ik groeide dus op en zag mijn moeder als een gescheiden vrouw in een patriarchale omgeving. In feite groeide ik op met de observatie van twee soorten van vrouw-zijn. Aan de ene kant was er mijn moeder, een hoogopgeleide, seculiere, moderne, westerse Turkse vrouw. Aan de andere kant was er mijn grootmoeder, die ook voor mij zorgde en meer spiritueel was, minder hoog opgeleid, en zeker minder rationeel. Deze vrouw keek koffiedik om de toekomst te zien en smolt lood in mysterieuze vormen om het boze oog af te weren.

Vele mensen bezochten mijn grootmoeder, mensen met ernstige acne op hun gezicht of met wratten op hun handen. Mijn grootmoeder prevelde telkens wat woorden in het Arabisch, nam een rode appel en prikte erin met evenzoveel rozendoornen als het aantal wratten dat ze wilde verwijderen. Vervolgens omcirkelde ze deze doornen met donkere inkt. Een week later kwam de patiënt terug voor een vervolgonderzoek. Ik weet dat ik dit soort dingen niet zou moeten zeggen voor een publiek van geleerden en wetenschappers, maar de waarheid is dat ik van alle mensen die mijn grootmoeder raadpleegden voor hun huidziekten niemand zag weggaan die ongelukkig of niet genezen was. Ik vroeg haar hoe ze dat deed. Was het de kracht van het gebed? Ze antwoordde: “Ja, bidden helpt. Maar hoed je ook voor de kracht van cirkels.”

Ik leerde vele andere dingen van haar, en één zeer kostbare les: als je in dit leven iets wil vernietigen, zij het acne, een blaam of de menselijke ziel, is het enige dat je moet doen het met dikke muren omgeven.Het zal vanbinnen uitdrogen. We leven allemaal in een soort sociale en culturele cirkel. Dat doen we allemaal. We worden geboren in een bepaalde familie, natie, klasse. Maar als we geen enkele verbinding hebben met de werelden buiten de wereld die we vanzelfsprekend vinden, dan lopen we het risico dat we vanbinnen uitdrogen. Onze verbeelding zou kunnen krimpen. Onze harten zouden kunnen krimpen. En onze menselijkheid zou kunnen wegkwijnen als we te lang blijven hangen in onze culturele cocons. Onze vrienden, buren, collega’s, familie – als alle mensen in onze eigen kring op ons lijken, dan betekent dat dat we omringd zijn met ons spiegelbeeld.

Een andere gewoonte van vrouwen zoals mijn oma in Turkije is dat ze spiegels met fluweel bedekken of ze aan de muur hangen met de achterkant naar voren. Dat is een oude Oosterse traditie die is gebaseerd op de wetenschap dat het niet gezond is voor een mens om teveel tijd door te brengen met staren naar zijn eigen reflectie. Ironisch genoeg zijn gemeenschappen van gelijkgezinden één van de grootste gevaren van de geglobaliseerde wereld van vandaag. Het gebeurt overal, onder liberalen en conservatieven, agnostici en gelovigen, rijken en armen, Oosten en Westen in dezelfde mate. We hebben de neiging om clusters te vormen op basis van gelijkenis, en dan produceren we stereotiepen over andere clusters van mensen. Volgens mij is één manier om deze culturele getto’s te overstijgen de kunst van het vertellen. Verhalen kunnen geen grenzen vernietigen, maar ze kunnen wel gaten maken in onze mentale muren. Door deze gaten kunnen we een glimp opvangen van de andere en kunnen we soms zelfs houden van wat we zien.

Ik was acht toen ik fictie begon te schrijven. Mijn moeder kwam op zekere dag thuis met een turquoise schrift en vroeg mij of ik een persoonlijk dagboek zou willen bijhouden. Als ik erop terugkijk denk ik dat ze zich wat zorgen maakte over mijn geestelijke gezondheid. Ik vertelde thuis constant verhalen, wat goed was, behalve dat ik ze aan denkbeeldige vrienden vertelde, wat niet zo goed was. Ik was een introvert kind zozeer zelfs dat ik met kleurpotloden communiceerde en mij verontschuldigde bij objecten als ik ertegen aanliep. Mijn moeder dacht dat het mij goed zou doen om mijn ervaringen en emoties van elke dag neer te schrijven. Wat ze niet wist was dat ik mijn leven vreselijk saai vond en dat het laatste wat ik wilde doen schrijven over mijzelf was. In plaats daarvan begon ik te schrijven over andere mensen en dingen die in werkelijkheid nooit gebeurd waren. Zo begon mijn levenslange passie voor het schrijven van fictie. Vanaf het prille begin was fictie voor mij niet zozeer een autobiografische manifestatie als wel een transcendentale reis naar andere levens, andere mogelijkheden. Heb alstublieft geduld met mij. Ik zal een cirkel tekenen en op dit punt terugkeren.

Omstreeks deze periode gebeurde nog iets anders. Mijn moeder werd diplomaat. En dus werd ik vanuit de kleine, bijgelovige, middenklassebuurt van mijn grootmoeder gekatapulteerd naar een chique internationale school waar ik de enige Turk was. Hier had ik mijn eerste ontmoeting met wat ik de “representatieve buitenlander” noem. In onze klas zaten kinderen van alle nationaliteiten. Toch leidde deze diversiteit niet noodzakelijk tot een kosmopolitische, egalitaire democratie in de klas. Het zorgde integendeel voor een sfeer waarin elk kind werd gezien niet als een individu op zichzelf, maar als een vertegenwoordiger van iets groters. We waren als een mini-Verenigde Naties, wat leuk was, behalve als er iets negatiefs gebeurde in verband met een natie of een godsdienst. Het kind dat er de vertegenwoordiger van was werd uitgelachen, belachelijk gemaakt en eindeloos gepest. En ik kan het weten, want terwijl ik daar op school zat was er een militaire coup in mijn land, vermoordde een schutter met mijn nationaliteit bijna de Paus en kreeg Turkije nul punten in het Eurovisiesongfestival.

Ik spijbelde vaak en droomde ervan om matroos te worden in die dagen. Ik proefde daar ook voor het eerst culturele stereotiepen. De andere kinderen vroegen mij naar de film “Midnight Express”, die ik niet had gezien. Ze vroegen hoeveel sigaretten ik per dag rookte, want ze dachten dat alle Turken zware rokers waren. En ze vroegen zich af op welke leeftijd ik mijn haar zou gaan bedekken. Ik leerde dat dit de drie belangrijkste stereotiepen over mijn land waren: politiek, sigaretten en de sluier. Na Spanje gingen we naar Jordanië, Duitsland en opnieuw naar Ankara. Overal waar ik kwam had ik het gevoel dat mijn verbeelding de enige koffer was die ik mee kon nemen. Verhalen gaven me een gevoel van centrum,continuïteit en coherentie, de drie grote C’s die ik anders ontbrak.

Toen ik midden twintig was verhuisde ik naar Istanboel, de stad die ik aanbid. Ik woonde in een zeer bruisende, diverse buurt waar ik verschillende van mijn romans schreef. Ik was in Istanboel toen er een aardbeving was in 1999. Toen ik uit het gebouw rende om drie uur ’s ochtends zag ik iets dat mij onmiddellijk halt deed houden. Daar zat de plaatselijke kruidenier, een knorrige oude man die geen alcohol verkocht en niet met marginalen sprak. Hij zat naast een travestiet met een lange zwarte pruik en mascara die uitliep over haar kaken. Ik zag de man een pak sigaretten openen, met trillende handen, en er haar een aanbieden Dat is het beeld van de nacht van de aardbeving in mijn hoofd vandaag, een conservatieve kruidenier en een huilende travestiet die samen roken op de stoep. Toen we voor dood en vernieling stonden verdampten onze wereldse verschillen en werden we allemaal één al was het maar voor een paar uur. Ik heb altijd geloofd dat verhalen ook zo’n effect op ons hebben. Ik zeg niet dat fictie de omvang van een aardbeving heeft. Maar als we een goede roman lezen verlaten we onze kleine gezellige flats, gaan we alleen de nacht in en leren we mensen kennen die we nooit hadden ontmoet en waar we misschien zelfs een vooroordeel tegen hadden.

Korte tijd later vertrok ik naar een vrouwenuniversiteit, eerst in Boston, toen in Michigan. Ik ervoer dit niet zozeer als een geografische verplaatsing als wel als een linguïstische. Ik begon fictie te schrijven in het Engels. Ik ben geen immigrant, vluchteling of balling. Ze vragen mij waarom ik dit doe. Pendelen tussen talen geeft mij de kans mezelf te herscheppen. Ik hou van schrijven in het Turks. Dat is voor mij erg poëtisch en emotioneel. En ik hou van schrijven in het Engels. Dat is voor mij erg wiskundig en cerebraal.Ik voel me met elke taal op een andere manier verbonden. Voor mij, zoals voor miljoenen andere mensen op de wereld vandaag, is Engels een aangeleerde taal. Als je pas laat bij een taal aankomt leef je er mee met een continue en eeuwige frustratie. Als laatkomers willen we altijd meer zeggen, betere grapjes maken, betere dingen zeggen. Maar uiteindelijk zeggen we minder omdat er een kloof is tussen de geest en de tong. Die kloof is erg intimiderend. Maar als we ons er niet door laten afschrikken is hij ook stimulerend. Dit is wat ik ontdekte in Boston: dat frustratie erg stimulerend was.

Op dit punt begon mijn grootmoeder, die mijn levensloop had gevolgd met groeiende angst, in haar dagelijkse gebeden op te nemen dat ik dringend zou trouwen zodat ik mezelf voorgoed kon settelen. En omdat God van haar houdt trouwde ik inderdaad. Maar in plaats te settelen ging ik naar Arizona. En omdat mijn man in Istanboel woont begon ik te pendelen tussen Arizona en Istanboel. Twee plaatsen op het aardoppervlak die niet verschillender kunnen zijn. Ik veronderstel dat een deel van mij altijd een nomade is geweest, fysiek en spiritueel. Verhalen vergezellen mij, houden mijn onderdelen en herinneringen samen, als een existentiële lijm.

Maar hoe ik ook van verhalen houd, ik ben recent ook beginnen te denken dat ze hun magie verliezen als een verhaal gezien wordt als meer dan een verhaal. Dit is een onderwerp waarover ik graag samen zou nadenken. Toen mijn eerste in het Engels geschreven roman uitkwam in Amerika hoorde ik een interessante opmerking van een recensent. “Ik vond je boek goed”, zei hij, “maar ik wou dat je het anders had geschreven.” Ik vroeg hem wat hij daarmee bedoelde. Hij zei: “Kijk eens, er zitten zoveel Spaanse, Amerikaanse en Hispanic personages in, maar er is maar één Turks personage en dat is een man.” De roman speelde zich af op een universiteitscampus in Boston. Voor mij was het dus normaal dat er meer internationale personages in zouden zitten dan Turkse personages. Maar ik begreep waar mijn recensent naar zocht. En ik begreep ook dat ik hem zou blijven teleurstellen. Hij wou de manifestatie van mijn identiteit zien. Hij zocht een Turkse vrouw in het boek omdat ik er toevallig een was.

We praten vaak over hoe verhalen de wereld veranderen. We zouden ook moeten zien hoe de wereld van de identiteitspolitiek de manier beïnvloedt waarop verhalen in omloop worden gebracht, gelezen en gerecenseerd. Vele auteurs voelen deze druk, maar niet-Westerse auteurs voelen die sterker. Als je een vrouwelijke auteur uit de moslimwereld bent, zoals ik, dan wordt er verwacht dat je de verhalen schrijft van moslimvrouwen, en bij voorkeur de ongelukkige verhalen van ongelukkige moslimvrouwen. Er wordt verwacht dat je informatieve, scherpe en karakteristieke verhalen schrijft en dat je het experiment en de avant-garde aan je Westerse collega’s laat. Wat ik ervoer als kind op die school in Madrid gebeurt vandaag in de literaire wereld. Schrijvers worden niet gezien als creatieve individuen op zichzelf maar als de vertegenwoordigers van hun respectieve culturen. Enkele auteurs uit China, enkele uit Turkije, enkele uit Nigeria. Van elk van ons denkt men dat we iets karakteristieks hebben, zoniet iets eigenaardigs.

De schrijver en pendelaar James Baldwin gaf een interview in 1984 waarin hem herhaaldelijk werd gevraagd naar zijn homosexualiteit. Toen de interviewer hem in het hokje probeerde te stoppen van homoschrijver stopte Baldwin en zei: “Maar zie je dan niet dat er niets in mij is dat niet in alle anderen zit,en niets in alle anderen dat niet in mij zit.” Als identiteitspolitiek probeert om etiketten op ons te klevendan is het onze vrijheid van verbeelding die in gevaar is. Er is een fuzzy categorie die multiculturele literatuur wordt genoemd waarin alle auteurs van buiten de Westerse wereld op één hoop worden gegooid. Ik vergeet nooit mijn eerste multiculturele lezing op Harvard Square, een tiental jaar geleden. We waren met drie schrijvers, één uit de Filippijnen, één Turkse en één Indonesische – alsof het een grap was. En de reden waarom we bij elkaar waren gebracht was niet omdat we een artistieke stijl deelden of een literaire smaak. Het was enkel om onze paspoorten. Multiculturele schrijvers worden verondersteld echte verhalen te vertellen, niet zozeer imaginaire. Fictie krijgt een functie. Op deze manier worden niet alleen de schrijvers zelf maar ook hun fictieve personages de vertegenwoordigers van iets groters.

Maar ik moet er snel aan toevoegen dat deze tendens om een verhaal te zien als meer dan een verhaal niet alleen uit het Westen komt. Hij komt van overal. Ik heb dit uit eerste hand ervaren toen ik in 2005 moest terechtstaan voor de woorden die mijn fictieve personages hadden geuit in een roman. Ik had de bedoeling gehad om een constructieve, gelaagde roman te schrijven over een Armeense en een Turkse familie door de ogen van vrouwen. Mijn microverhaal werd een macrokwestie toen ik werd vervolgd.Sommige mensen hadden kritiek, anderen prezen mij omdat ik schreef over het Turks-Armeense conflict.Maar er waren momenten dat ik beide kanten eraan wilde herinneren dat dit fictie was. Het was maar een verhaal. En als ik zeg “maar een verhaal”, dan probeer ik mijn werk niet te kleineren. Ik wil houden van fictie en haar bejubelen om wat ze is, niet als een middel tot een doel.

Schrijvers hebben recht op hun politieke mening en er zijn goede politieke romans, maar de taal van de fictie is niet de taal van de dagelijkse politiek. Tsjechov zei: “De oplossing voor een probleem en de correcte manier om de vraag te stellen zijn twee volkomen gescheiden dingen. Alleen het laatste is de verantwoordelijkheid van de kunstenaar.” Identiteitspolitiek verdeelt ons. Fictie verbindt. Het ene heeft belang bij ruime veralgemeningen. Het andere bij nuances. Het ene trekt grenzen. Het andere erkent geen grenzen. Identiteitspolitiek is gemaakt van massieve baksteen. Fictie is stromend water.

In de Ottomaanse tijden waren er rondtrekkende vertellers, zogenaamde “meddah”. Ze gingen naar koffiehuizen waar ze een verhaal vertelden voor een publiek, vaak al improviserend. Voor elk nieuw personage in het verhaal veranderde de meddah zijn stem, om het personage gestalte te geven. Iedereen kon gaan luisteren: gewone mensen, zelfs de sultan, moslims en niet-moslims. Verhalen overschreden alle grenzen. Zoals “De verhalen van Nasreddin Hodja”, die erg populair waren in heel het Midden-Oosten, Noord-Afrika, de Balkan en Azië. Vandaag blijven verhalen grenzen overschrijden. Als Palestijnse en Israëlische politici praten, dan luisteren ze meestal niet naar elkaar. Maar een Palestijnse lezer leest nog steeds een boek van een Joodse auteur en vice versa, er is verbinding en empathie met de verteller.Literatuur moet ons verder brengen. Als het ons daar niet kan brengen is het geen goede literatuur.

Boeken hebben het introverte, verlegen kind gered dat ik ooit was. Maar ik ben mij ook bewust van het gevaar om er fetisjen van te maken. Toen de dichter en mysticus, Rumi, zijn spirituele compaan ontmoette, Shams van Tabriz, was één van diens eerste daden dat hij Rumi’s boeken in het water gooide en keek naar de letters die zich oplosten. De Soefi’s zeggen: “Kennis die je niet verder brengt dan jezelf is veel erger dan onwetendheid.” Het probleem van de culturele getto’s van vandaag is niet gebrek aan kennis. We weten veel over elkaar, of dat denken we. Maar kennis die ons niet verder brengt dan onszelf maakt ons elitair, afstandelijk en losgekoppeld. Er is een metafoor waar ik van hou: leven als een passer.Zoals je weet is één been van de passer statisch, vast op een plaats. Ondertussen tekent het andere been een wijde cirkel, constant in beweging. Dat doet mijn fictie ook. Een deel ervan is geworteld in Istanboel met sterke Turkse wortels. Het andere deel reist over de wereld en verbindt zich met verschillende culturen. In die zin zie ik mijn fictie graag als tegelijk locaal en universeel, tegelijk van hier en van overal.

Diegenen van jullie die in Istanboel zijn geweest hebben waarschijnlijk het Topkapipaleis gezien dat de residentie was van de Ottomaanse sultans gedurende meer dan 400 jaar. In het paleis, net buiten de vertrekken van de favoriete concubines is een plek die de Verzamelplaats van de Djinn heet. Het ligt tussen de gebouwen. Dit concept intrigeert me. We wantrouwen meestal de plekken die tussen dingen in vallen. We zien ze als het domein van bovennatuurlijke schepsels als de djinn, die bestaan uit rookloos vuur en symbool zijn van ongrijpbaarheid. Maar mijn punt is dat ongrijpbare ruimte wellicht is wat schrijvers en kunstenaars het meeste nodig hebben. Als ik fictie schrijf dan koester ik ongrijpbaarheid en veranderlijkheid. Ik hou ervan dat ik niet weet wat 10 pagina’s verder zal gebeuren. Ik hou ervan dat mijn personages mij verrassen. Ik schrijf misschien over een moslimvrouw in de ene roman. En dat wordt misschien een heel vrolijk verhaal. En in mijn volgende boek schrijf ik misschien over een knappe homoprofessor in Noorwegen. Zolang het uit ons hart komt, kunnen we schrijven over eender wat en alles.

Audre Lorde zei eens: “De blanke vaders leerden ons zeggen ‘Ik denk, dus ik ben.'” Zij stelde voor: “Ik voel, dus ik ben vrij.” Ik denk dat dat een prachtige paradigmaverschuiving was. En toch, waarom is het dat in cursussen creatief schrijven vandaag het allereerste ding dat we studenten aanleren is: schrijf wat je kent? Misschien is dat helemaal niet de beste manier om te starten. Literatuur van de verbeelding gaat niet noodzakelijk om schrijven over wie we zijn of wat we kennen, of waar onze identiteit om draait. We moeten jonge mensen en onszelf leren om ons hart te verruimen en te schrijven wat we kunnen voelen.We moeten ons culturele getto verlaten en het volgende bezoeken en het volgende.

Uiteindelijk bewegen verhalen als draaiende derwisjen, die cirkels buiten cirkels tekenen. Ze verbinden de hele mensheid, wars van identiteitspolitiek. Dat is het goede nieuws. Ik zou willen afsluiten met een oud Soefi-gedicht. “Kom, laat ons voor één keer vrienden zijn; laat ons onszelf het leven gemakkelijk maken;laat ons minnaars en beminden zijn; de aarde zal aan niemand worden nagelaten.”

Foto van J. Milburn

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s