Juist de maskers die we kiezen, tonen het diepste van onze ziel.

Het dubbelgangersmotief en ironie in De republiek van Joost de Vries

Als de koning dood is, wat blijft er dan over? In De republiek (2013) van Joost de Vries brengt de dood van Josip Brik, een veelbesproken professor Hitlerstudies, een nieuwe wending aan het leven van redacteur Friso de Vos. Friso denkt dat hij de aangewezen persoon is om in Briks voetsporen te treden, maar hij krijgt concurrentie uit onverwachte hoek. Philip de Vries, een van Briks beste studenten, verschijnt op televisie om over Briks leven te praten. Friso concludeert uit het televisieoptreden dat Philip zich gedraagt als Briks intellectuele ‘troonopvolger’. Uit zelfbescherming en woede doet Friso zich voor als Philips dubbelganger, maar hij moet door schade en schande inzien dat niet de ander een gevaar vormt voor zijn positie, maar dat hij zichzelf meer schade heeft berokkend dan dat de ander ooit zou hebben gedaan.

De roman werd positief ontvangen door literaire critici en gewaardeerd om het spel tussen feit en fictie en de uitwerking van het dubbelgangersmotief en ironie. Deze laatste twee begrippen geven veel betekenis aan de roman. Ze vergroten bijvoorbeeld de spanning tussen feit en fictie, maar ze geven ook veel informatie over het werkelijke probleem waarmee Friso worstelt. Op welke manier staan het literaire dubbelgangersmotief en ironie in De republiek met elkaar in verband?

Het literaire dubbelgangersmotief en ironie

In de Nederlandse literatuur is het dubbelgangersmotief door verschillende schrijvers vertegenwoordigd, bijvoorbeeld door Willem Frederik Hermans in De Donkere Kamer van Damokles (1958) en Gerrit Komrij met Dubbelster (1993). Erik van den Storm schrijft in De metamorfosen van de literaire dubbelganger (2008) dat het woord dubbelganger voor verwarring kan zorgen, omdat het motief door de jaren heen verschillende betekenissen heeft gekregen. Dubbelganger in de traditionele zin van het woord betekent een mogelijke uiterlijke gelijkenis met de ander, maar de term duidt ook op een identiteitscrisis: “Elk individu krijgt vroeg of laat te maken met de confrontatie met zichzelf [..] De dubbelganger [..] is steeds de verpersoonlijking van de conflictueuze verstandhouding van de mens tot zichzelf” (2). Daarnaast functioneert de literaire dubbelganger als metafoor voor de confrontatie met de ander en de onmacht die uit deze confrontatie voortvloeit: “de protagonist heeft geen bestaansrecht meer wanneer een specifiek gedeelte van hem ontnomen wordt [..] verdrongen trauma’s en verlangens die niet kunnen worden losgelaten nemen een extern, illusoir karakter aan” (10).

Ook kan een ironische houding deel uitmaken van het gedrag van een personage met de rol als dubbelganger. Het gaat dan vaak “om een nood om alle sporen opzettelijk te verdraaien” (35). Schrijver Frans Kellendonk gebruikte niet de term ironie, maar hij had voorkeur voor het begrip ‘oprecht veinzen’. Dit is “een geesteshouding die besef heeft van het verschil tussen beeld en werkelijkheid, tussen mythe en mysterie, een ontgoochelde vorm van geloven […]” (Kellendonk, 1987, p. 58). Oprecht veinzen is doen alsof je weet waarover je het hebt, maar tegelijkertijd niet vergeten dat het maar ‘doen alsof’ is. Deze houding komt voort uit het besef dat de werkelijkheid niet valt te kennen en dat uitspraken over deze werkelijkheid enkel onder voorbehoud kunnen worden gedaan. Oprecht veinzen gaat dus om een negatieve en destructieve houding tegenover elke vorm van identificatie (Kellendonk, 1987).

Kellendonks alternatieve verklaring voor ironie gaat uit van de postmoderne gedachte dat er geen sluitende waarheid mogelijk is. Schrijver Joost de Vries is echter van mening dat ironie vandaag de dag over iets anders gaat. In Waar we het over hebben als we het over ironie hebben (2014) definieert De Vries ironie als een kwestie van relativering en een vorm van negatie ten opzichte van jezelf. Ironie smoort gevoelens en ervaringen en zorgt dat iemand semi door het leven wil gaan. Daarnaast denkt De Vries dat een ironische houding resulteert in een ‘opsplitsing’ van iemands identiteit, namelijk in een deel dat een rol speelt en een deel dat hierop toeziet. Door deze ‘schizofrene’ houding blijft de realiteit buiten beeld en creëert de ironicus zijn eigen werkelijkheid. De ironicus is door zijn scherpe bewustzijn ook kwetsbaarder voor mislukkingen en teleurstellingen en hij zet ironie in als een “zelfverdedigende modus [..] die je de mogelijkheid geeft alle verantwoordelijkheden voor je eigen keuzes te ontlopen” (31). Iemand met een ironische visie neemt dus niets serieus en leidt volgens De Vries een leven met slechts een voorlopige oplossing voor het probleem dat hij niet onder ogen wil zien.

De dubbelganger van de held

In De republiek neemt Friso verschillende keren een rol aan als dubbelganger, bijvoorbeeld van zijn held Brik. Friso heeft een bijzondere relatie met Brik en hij probeert op verscheidene momenten in de voetsporen van Brik te treden. Kenmerken die typerend voor Brik zijn probeert Friso zich eigen te maken, maar zonder succes: “Ik heb niet jouw mimiek, Brik, niet jouw intonatie, jouw ritme” en hij is slechts “het jongentje dat wanhopig stoer probeert te doen” (15). Op momenten dat Brik niet in zijn aanwezigheid is, gedraagt Friso zich het meest als zijn mentor. Friso krijgt bijvoorbeeld de opvallende zweetplekken in zijn shirt die Brik ook vaak had, maar hij neemt tevens Briks onhandigheid over: een valpartij van Friso lijkt op een kopie van een eerdere valpartij van Brik.

Brik is de goedkeurende en bevestigende instantie voor Friso’s identiteit. Hij maakt keuzes voor Friso, met name in Friso’s baan als redacteur bij De Slaapwandelaar. Brik bemoeit zich ook op persoonlijk vlak met hem, zoals in de relatie tussen Friso en Pippa. De identiteit van Friso valt en staat dus met het bestaan en de aanwezigheid van Brik. Friso weet echter dat hij “hooguit een wagonnetje was achter de Josip Brik-locomotief”(21), maar hij blijft zich wanen in de fantasie dat hij zich met zijn held Brik moet identificeren om in zijn voetsporen te treden. Deze fantasie komt voort uit het minderwaardige gevoel dat Friso naast Brik heeft. Dit minderwaardigheidscomplex resulteert in Friso’s zoektocht naar de ideale versie van zichzelf door de rol van de ander, zijn held Brik, aan te nemen.

Friso doet zich voor als de ‘troonopvolger’ van Brik en neemt dus bepaalde karaktereigenschappen van zijn held over. Friso imiteert bijvoorbeeld Briks ironische houding die De Vries in zijn essay de ziekte van deze generatie wil noemen. Brik wijdt zich onder andere aan allerlei fictionele vormen van Hitler, terwijl hij beseft dat Hitler meer is dan bijvoorbeeld een personage uit een speelfilm. Het voortdurende gepeins over zaken die alleen in de verbeelding bestaan, resulteert in een ‘ontbinding’ van de reële wereld om hem heen. Brik durft ook geen verantwoordelijkheid te nemen om achter één concrete betekenis te staan en in zijn visie heeft alles meerdere betekenissen. Deze ironische houding probeert Friso dus van Brik over te nemen: “Wat was het toch heerlijk om intellectueel te zijn! Die ratio, dat je altijd dit metaniveau had, het was de vervolmaking van wat Brik me geleerd had, dat ja ook nee betekende, wit ook zwart, hier ook elders, het leven ook fictie”(195).

Na het overlijden van Brik stort de wereld van Friso in. Hij heeft moeite om in zijn eigen verhaal te passen sinds de bevestigende instantie van zijn identiteit er niet meer is. Friso belandt uiteindelijk in een identiteitscrisis en hij klampt zich vast aan de fantasie dat hij het alleenrecht heeft om in Briks voetsporen te treden. Friso fantaseert over een hiërarchisch denkmodel waarin niemand zijn eersterangs positie kan afpakken.

De dubbelganger van de rivaal

Philip de Vries vormt de enige bedreiging voor Friso’s eersterangs positie in ‘Briks hiërarchie’. Philip was een van Briks beste studenten en hij weet de “joviale toon van Brik te pakken”(49). Het meest confronterende voor Friso is echter dat hij door een ziekenhuisopname niet aanwezig kon zijn bij Briks uitvaart en dat Philip wel heeft gesproken tijdens Briks memorialdienst. Het bestaan van Philip betekent een bedreiging voor de rol van Friso als Brik, dus ook een bedreiging voor Friso’s identiteit. Friso is woedend, maar hij weet ook waar zijn emoties vandaan komen: “Ik wist dat ik neerkeek op zijn hele connectie met Brik” (79). Friso blijft het echter moeilijk vinden om de realiteit te accepteren.

Friso’s woede wordt verergerd op het moment dat mensen Friso met Philip gaan verwarren of hen aan elkaar gelijk stellen: “Iemand die dacht dat hij en ik dezelfde waren, dat we dezelfde Brikianen waren. Maar er was een verdeling. Stadia. Iedereen had altijd met Brik te maken, maar iedereen was onderverdeeld in echelons die op verschillende afstanden stonden”(86). Friso blijft zich dus vastklampen aan zijn verzonnen hiërarchische model en zijn recht op Briks troonopvolging.

De situatie wordt geproblematiseerd doordat Friso de werkelijkheid steeds minder weet te onderscheiden van zijn fantasiewereld. Zijn woede en kwetsbaarheid resulteren in het weglopen van zijn verantwoordelijkheid voor de keuzes die hij maakt. Friso probeert bijvoorbeeld Philip bewust in een verkeerd daglicht te zetten door zich te misdragen als Philips dubbelganger. Het in diskrediet brengen van zijn rivaal is echter niet het enige motief van Friso. Hij rechtvaardigt zijn rol als Philips dubbelganger door te denken dat Philip hem na doet en niet andersom: “Hij kwam op tv en sprak op de herinneringsdienst en stond in de krant en hij moest heel goed geweten hebben dat dat niet zijn rol was, dat was de mijne” (151). De rol als Philips dubbelganger werkt dus als een soort ‘beschermingsmechanisme’ voor Friso’s eigen fantasieën.

Friso neemt zijn rol als Philip dermate serieus dat hij zich gaat voorstellen hoe de echte Philip zou reageren in de meest uiteenlopende situaties: “Dat was niets voor mij, dat was misschien iets voor schrokkop van een Philip de Vries, die zou het aandurven [..] (125). Friso verliest zich in zijn eigen rol en denkt waarachtig dat hij een betere Philip de Vries is dan Philip ooit zelf kan zijn. Hij krijgt steeds meer moeite om zijn rol als dubbelganger los te laten en Friso realiseert zich nog niet dat zijn spel met rollen ook een vorm van zelfbedrog is.

Loslaten van de ironie

In zijn spel met dubbelgangers weet Friso regelmatig niet meer wie hij is en wie hij speelt. Bovendien twijfelt Friso aan zijn positie naast Brik en aan de vraag wat hij voor hem betekende: “Weegt zijn favoriete student zwaarder dan zijn favoriete redacteur? [..]Met wie bracht hij de meeste tijd door? [..]Waar sta ik?”(186-187). Langzamerhand wordt Friso bewuster van de werkelijkheid: “Maar waar rende ik van weg? Van mezelf-die-niet-mezelf-was”(143). Daarnaast haalt Friso geen voldoening uit de rol als Philips dubbelganger. Integendeel, het vergroot zijn ironie en de afstand tot de werkelijkheid. Friso dacht aanvankelijk dat hij in de rol als Philip zich meer kon permitteren en dat hij in de gedaante van de ander meer voor elkaar kon krijgen: “Ik kon elk cliché in de wereld oprakelen en het als een diepere wijsheid presenteren. Alles aan Brik koppelen” (105). Dit is echter schijn en Friso realiseert zich steeds vaker dat zijn ironische rol slechts een tijdelijke oplossing is voor het probleem dat hij niet onder ogen wil zien.

De mythe van ironie wordt op verschillende momenten in de roman ontmaskerd. In de confrontatie met anderen die geen rol spelen en die zich dus niet achter de ironie verschuilen, wordt Friso bewuster van zijn situatie: “een oudere meneer die eruit zag alsof hij alle leugentjes voor eigen bestwil voorbij was, zei gewoon wat hij dacht en vond” (142). Deze man heeft volgens Friso dus geen ironische houding nodig. Bovendien schaamt Friso zich voor zijn werk als hij met onderzoekers praat die aan echte geschiedschrijving doen en daadwerkelijk met historisch onderzoek verschillende actuele maatschappelijke kwesties aan de kaak stellen. Friso weet dat zijn eigen werk slechts gebaseerd is op fictieve informatie.

Daarnaast zijn er verscheidene personages die Friso een spiegel voorhouden, bijvoorbeeld het personage Winterberg: “De vergissing die je maakt, is dat je tegen mij praat alsof ik Brik ben. Ik ben niet Brik. Brik is dood. Ik interesseer me niet in scenes uit films. Ik leef [..] in deze wereld” (159). Zijn compagnon Burgers brengt Friso ook in aanraking met de realiteit en legt hem uit dat mensen die de geschiedenis hebben meegemaakt, “alleen de diepe donkere feiten hadden die niet op te leuken, uit te diepen of op te rekken waren in de fictie waar Brik zo gulzig aan verslaafd was”(165). De consequenties van zijn spel met rollen en zijn geloof in ironie kan Friso niet meer ontwijken: “Friso, zie je zelf nou zitten, en kijk eens wat een merkwaardige puinhoop je aan het creëren bent” (165).

In een van de sleutelscènes uit de roman bezoekt Friso een antiquair met een achterkamertje vol met authentieke nazi-objecten. Friso ziet voor het eerst objecten met een betekenis, bijvoorbeeld het hakenkruis. Dit object kende Friso enkel uit de films waar Brik onophoudelijk over filosofeerde. Het zien van een betekenisvol object uit de geschiedenis is een moment van beslissende verandering; Friso kan zich niet meer verschuilen achter de ironische mythe. Uiteindelijk verruilt Friso zijn ironisch spel met rollen met een verlangen naar echtheid.

De volledige afstand van ironie komt echter pas na Friso’s fantasie over Briks uitvaart. Deze fantasie heeft Friso nodig om zijn werkelijke probleem onder ogen te zien. Friso vindt dat Brik hem te kort heeft gedaan en hij spreekt in zijn fantasie over “no equal love” (245). In zijn relatie met Pippa voelde Friso zich ook niet gewenst. Na de dood van Brik en het einde van zijn relatie verlangt Friso om ergens bij te horen en niet meer alleen te zijn. Eerder in de roman realiseerde Friso zich al dat “veel boeken gelezen hebben betekende op geen enkele manier dat je je zomaar kon aansluiten bij de rest. Ik was alleen” (221). Friso’s probleem is dus niet ontstaan door de dood van Brik of de bedreiging van Philip, maar in zijn eigen identificatieproces. De rol als dubbelganger en de ironische houding is een vorm van negatie ten opzichte van de eigen identiteit en een vorm van zelfbedrog: “Houd je vast aan ironie, dan houd je ook vast aan een valse ik ”(170). Friso had dus last van een identiteitscrisis en hij verergerde zijn probleem door het spel met dubbelgangers te serieus te nemen en zich te verschuilen achter de ironie die hij van zijn held had geleerd.

De identiteitscrisis

In dit essay is aangetoond op welke manier het literaire dubbelgangersmotief en ironie in De republiek met elkaar in verband staan. In zowel het dubbelgangersmotief als in de ironische houding van Friso komt zijn identiteitscrisis aan het licht. Friso zocht de ideale versie van zichzelf door in de ironische rol van Brik te stappen. Deze clichématige rol van Brik kon Friso zich echter alleen permitteren door ook de dubbelganger van Philip te zijn. In de rol als beide dubbelgangers wordt Friso niet alleen geconfronteerd met zijn eigen onmacht ten opzichte van de ander, maar hij wordt vooral in aanraking gebracht met zijn conflictueuze houding ten opzichte van zijn eigen identiteit.

In zijn rol als dubbelganger verdraait Friso constant de realiteit, maar hij beseft bij tijd en wijle dat er een verschil zit tussen zijn eigen verbeelding en de werkelijkheid. Daarnaast gebruikt Friso ironie als een zelfverdediging, omdat hij na de dood van Brik vatbaarder is geworden voor teleurstellingen en mislukkingen. Friso beseft op den duur echter dat het verschuilen achter ironie slechts een voorlopige oplossing is voor zijn probleem. Hoe ironisch Friso’s rollen ook zijn, de echte wereld is dat niet. Door het loslaten van ironie wordt Friso dus geconfronteerd met het probleem waarmee hij worstelt. Zijn conflict komt niet voort uit het overlijden van zijn held Brik of door de dreiging van de aanwezigheid van de ander, maar door Friso’s identiteitscrisis en onzekerheid. De sterke opvatting over wie Friso denkt dat hij is, valt na het loslaten van de ironie onder zijn voeten vandaan.

Literatuurlijst

Kellendonk, F. (1987). De veren van de zwaan. Amsterdam: Meulenhoff.

van den Storm, E., & Keunen, B. (2008). De metamorfosen van de literaire dubbelganger. Universiteit Gent.

Vries, J. d. (2013). De republiek. Amsterdam: Prometheus.

Vries, J. d. (2014). Waar we het over hebben als we het over ironie hebben. In J. d. Vries, Vechtmemoires (pp. 25-43). Amsterdam: Prometheus.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s