Albert Camus in opstand

Ter voorbereiding van de filosofische nachtconferentie  ‘De mens in opstand‘ over de mogelijkheid, praktijk en waarde van hedendaags verzet, publiceert De Groene Amsterdammer artikelen uit het archief om ons aan het denken te zetten. Op 12 januari publiceerde het blad een essay van hoogleraar Franse literatuur Maarten van Buuren over het verzet dat centraal stond in de vriendschap tussen de grote denkers Albert Camus en Jean-Paul Sartre. Van Buuren onderzocht de betekenis die Camus aan het woord opstand verbond.

“Na een vriendschap van tien jaar raakte Albert Camus onherstelbaar gebrouilleerd met Jean-Paul Sartre. Camus vond totalitaire regimes een gruwel en bepleitte ‘het einde van de ideologieën’. Maar Sartre verheerlijkte het sovjetregime”.

Van Buuren schrijft dat Camus en Sartre elkaar in 1943 ontmoetten, tijdens een opvoering van Sartre’s toneelstuk De vliegen. Ze hadden elkaars werk gelezen en Camus had zelfs een enthousiast artikel geschreven over Sartre’s roman Walging (1938). Volgens Van Buuren vond Camus dat zijn collega Sartre de absurditeit van het menselijk bestaan subliem had verwoord en op zijn beurt had Sartre lof gesproken over De vreemdeling en De mythe van Sisyphus (1942) door te benadrukken dat Camus buitengewoon knap de vervreemding van de moderne mens had weergegeven. Dit was de start van een hechte vriendschap.

Camus en Sartre waren ook collega`s voor het verzetsblad Combat. Camus bood Sartre aan om artikelen te schrijven over de bevrijding. Volgens Van Buuren wilde Sartre graag deelnemen aan het verzet, maar het bleek dat hij ongeschikt was om als verzetsman op te treden: ‘Hoe kun je ook onderduiken als je zo’n kop hebt en zo’n scheefstaand oog‘. Toch werden zowel Sartre als Camus de woordvoerders van het bevrijde Frankrijk.

Van Buuren weet precies te verwoorden wanneer de eerste moeilijkheden tussen Camus en Sartre zich voordeden. Dit gebeurde in de periode vlak na de bevrijding:

“Sartre introduceerde het begrip ‘engagement’. Hij illustreerde dat in de romanreeks De wegen der vrijheid [..] en toneelstukken als Vuile handen (1948), waarin hij helden opvoerde die stelling nemen tegen onderdrukkende regimes. Camus stond model voor deze geëngageerde held in oorlogstijd, maar Sartre noemde hem niet en vestigde alle aandacht op zichzelf, tot ergernis van Camus”.

De spanning tussen de twee denkers werd groter toen Camus een artikel publiceerde in Les Temps Modernes waarin hij de filosoof Maurice Merleau-Ponty ervan beschuldigde de schijnprocessen te rechtvaardigen die in die jaren in Moskou werden gevoerd. Sartre verdedigde Merleau en kwam niet op voor Camus. Volgens Van Buuren werd deze ruzie nooit helemaal bijgelegd.

Camus en Sartre waren het niet met elkaar eens over het gebruik van geweld. Sartre was namelijk van mening dat geweld kan worden gerechtvaardigd als het wordt ingezet ter wille van een betere samenleving: “Het mocht worden gebruikt door systemen ‘waarin het geweld zijn eigen opheffing nastreeft en zich ten doel stelt zichzelf te overstijgen in plaats van zich te bestendigen’. Je gelooft je ogen niet als je het leest, maar het staat er echt en het is des te treuriger als je weet dat met deze ‘systemen’ het Stalin-regime wordt bedoeld“. Camus daarentegen waarschuwde voor de staatsterreur van totalitaire regimes en hij pleitte volgens Van Buuren voor het eerst voor het einde van de ideologieën.

Camus werkte in die tijd aan de essaybundel De mens in opstand. Van Buuren legt uit dat Camus in deze essaybundel opstand tegenover revolutie stelde: “Revolutie berust op het geloof dat maatschappelijke omwentelingen een ontwikkeling in de geschiedenis op gang brengen waarvan het uiteindelijke resultaat de klassenloze maatschappij (of een andere ideale samenleving) is. Revolutie berust met andere woorden op het vertrouwen dat de geschiedenis een richting en een doel heeft“. Camus was echter van mening dat de geschiedenis geen richting of doel heeft en hij schreef zijn boeken De vreemdeling en De mythe van Sisuphus vanuit de gedachte dat het leven absurd is:

“Totalitaire regimes brengen miljoenen mensen om het leven met het argument dat het doel (het duizendjarig rijk of de klassenloze maatschappij) de middelen heiligt. Camus verzet zich daar met hand en tand tegen. ‘Ze zeggen dat het doel de middelen heiligt. Maar wie heiligt het doel?’

Camus pleitte voor de opstand en was dus tegen de revolutie. Opstand is volgens Camus je verzetten tegen de ‘condition humaine’, dat wil zeggen tegen de absurditeit van het bestaan zoals een zinloze ziekte of de ellende van de oorlog. Van Buuren legt verder uit dat Camus geloofde dat de mens is gemaakt voor geluk en voor een leven in harmonie met de natuur en zijn medemens: “Volgens hem verkeerde de mens oorspronkelijk in een paradijselijke staat, maar is hij daaruit verbannen door een ‘val in de geschiedenis’. Veel scènes in het werk van Camus spelen zich af aan het strand in een sfeer van zon, zee en onbezorgde vriendschap. In deze gelukkige herinneringen aan zijn jeugd in Algerije projecteert Camus de paradijselijke oerstaat van de mens. De opstand is gericht tegen de verwording van dit ideaal en een poging ons bewust te worden van onze oorspronkelijke en natuurlijke staat“.

Camus kreeg veel kritiek op zijn essaybundel De mens in opstand. Hij werd er onder andere van beschuldigd de politieke realiteit te negeren voor een ideaal die niet werkelijkheid was. Sartre vond De mens in opstand niet goed onderbouwd, de stijl was ondoorzichtig en de moraal die Camus als alternatief aandroeg was een ‘padvindersmoraal’. Sartre reageerde echter niet op het hoofdpunt van Camus’ essay, namelijk de vraag of de geschiedenis een richting of een doel heeft: “Leidt de geschiedenis naar een doel? Heiligt dat doel het gebruik van geweld? Van geweld op grote schaal zoals in de Siberische strafkampen? Op deze vragen gaat Sartre niet in“.

Sartre had waarschijnlijk geen antwoord op deze vragen omdat hij verschillende filosofische en politieke standpunten aanhing.  In 1952 verklaarde Sartre zich solidair met de Franse Communistische Partij en met het sovjetregime. Sartre’s houding was volgens Van Buuren beschamend. Niet alleen bagatelliseerde hij de Stalin-dictatuur, maar hij voerde ook een strijd met zijn eigen filosofische standpunten. In Van Buurens visie had Sartre een wereldbeeld uiteengezet waarin intermenselijke relaties het karakter kregen van een strijd op leven en dood. De ander was daarin altijd de vijand. In Sartre’s visie heeft iedereen dus constant ruzie en heeft de samenleving als kenmerk ‘een oorlog van allen tegen allen’. Daarnaast kan een samenleving alleen ontstaan als iemand van buiten wordt gekozen om de leiding te nemen:

Samenlevingen zijn namelijk niet in staat om uit zichzelf de sprong te maken van het ‘ik ben’ van de ‘moleculaire wanorde’ (Sartre’s woorden) naar het ‘wij zijn’ van de broederschap. Alleen een buitenstaander kan dat en hij wordt de onbetwiste heerser, omdat hij het is die de samenleving organiseert en belichaamt“.

Van Buuren vergelijkt deze redenering met die van Lenin, maar Sartre deed er in zijn visie nog een schepje bovenop. Sartre rechtvaardigde namelijk de alleenheerschappij van samenleving of een partij, zoals de dictator Stalin.

Op deze vlakken waren Camus en Sartre het niet met elkaar eens. Ze vonden elkaar alleen in de opvattingen dat de mens voortdurend in de weer is, dat al die drukte alleen dient om te vermijden dat de zinloosheid op hem valt zodra hij stilstaat, dat de mens maar willekeurig wat doet en dat het leven dus bestaat uit de fundamentele doelloosheid.

Maar als Sartre gelooft in de doelloosheid van het leven en niet in het doel en de betekenis van de geschiedenis, hoe verdedigt hij dan het progressieve geweld? Als hij niet gelooft in een betere toekomst, hoe kan hij dan het geweld rechtvaardigen dat gebruikt wordt om deze toekomst naderbij te brengen? Volgens Van Buuren sprak Sartre in de jaren vijftig en zestig zelfs met twee tongen: “In zijn journalistieke stukken en interviews presenteert hij zich als fellow traveller: een loyale medestander van de Sovjet-Unie. In zijn filosofische werk verbergt zich de scepticus die niets gelooft van de mooie beloftes van totalitaire regimes. Camus had dus groot gelijk om Sartre te herinneren aan zijn opvatting over de absurditeit van het bestaan en de doelloosheid van de geschiedenis, want deze opvatting slaat de bodem onder Sartre’s politieke stellingname vandaan”.

De breuk met Sartre was een grote klap voor Camus. Hij ondervond veel schade en zelfs de Nobelprijs in 1957 maakte volgens Van Buuren weinig goed. Sartre en Camus hebben elkaar na de ruzie ook nooit meer gezien. In 1960 overleed Camus door een tragisch auto-ongeluk. Sartre vluchtte steeds meer naar links: ‘Hij was een revolutionair zonder idealen, een rebel without a cause’.

Beeld: Petr Vorel

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s