Waarheid is net een toverbal die van kleur verandert #2

Grensverkeer en ironie

Arnon Grunberg schrijft, buiten zijn romans om, ook in verschillende kranten en opiniebladen. Met deze ontwikkeling is ook zijn romanoeuvre veranderd. Thomas Vaessens (Universiteit van Amsterdam) heeft zich verdiept in het fenomeen van de romanschrijver als journalist en de relatie tussen fictie en non-fictie in het werk van Arnon Grunberg. Volgens hem is het journalistieke nevenoeuvre van Grunberg door de jaren heen ernstiger en zeker meer dienstbaarder geworden ten opzichte van Grunbergs romanoeuvre. De neiging om meer journalistieke kanten in Grunbergs oeuvre toe te voegen, is meer dan een vlucht uit zijn eigen leven en heeft er zeker mee te maken dat Grunberg behoefte heeft naar meer realiteit (Vaessens, 2010).

In verscheidene interviews meldt Grunberg dat hij de werkelijkheid wil confronteren met fictie in de breedste zin van het woord en dat hij dit opvat als taak van een romanschrijver. Grunberg lijkt zich dus uit te spreken voor een schrijverschap dat inspeelt op de maatschappelijke en politieke actualiteit. De bekendste reportages uit Kamermeisjes en soldaten (2009) zijn de bezoeken aan Irak en Afghanistan waarin hij de rol op zich neemt als embedded journalist. Hij heeft er belang bij om te schrijven over wat er daar gebeurt en tegelijkertijd wil hij betrokken zijn bij de berichtgeving over de Nederlandse missies. Ook voor Onze Oom (2008) en De man zonder ziekte (2012) heeft Grunberg zich uitgebreid gedocumenteerd. In een interview uit 2008 in De Standaard vertelt Grunberg dat er concrete invloeden zijn te vinden in de romans van de militaire avonturen:

‘De scène waarin de majoor afscheid neemt van zijn vrouw. Die scène had ik niet kunnen schrijven als ik niet had gepraat met militairen over hoe zij afscheid nemen. Dat is vaak geritualiseerd. Sommigen willen niet dat hun vrouw en kinderen naar het vliegveld komen, anderen juist wel’[1].

Bovendien wordt deze journalistieke werkwijze verbeeld in de roman Onze oom, wanneer aan het slot van de roman een journalist tevoorschijn komt. Deze persoon schetst de suggestie dat Arnon Grunberg dit zelf is en dat hij informatie aan het verzamelen was voor het verhaal dat we net gelezen hebben. Grunberg is dus op zoek gegaan naar de werkelijkheid voordat hij daarover ging schrijven en het gaat er bij hem dus niet alleen om de verbeelding in een roman, maar ook om het documentaire karakter van een fictie-tekst.

In de receptie van Grunbergs romans is de neiging tot journalistiek schrijven niet positief ontvangen. Vooral de roman Onze oom heeft veel kritiek gekregen. Sommige recensenten beweren zelfs dat Grunberg met deze roman geen literaire ambitie heeft:

 ‘Waar Tirza de emotie nog balde en gericht naar een bittere finale mikte, gaat Onze oom nergens heen en lijkt van enige literaire ambitie geen sprake. ‘Ik wil weten waar we heen gaan’, roept een soldaat op een bepaald moment. Als we niet beter wisten, had-ie het tegen de schrijver zelf.’[2]

Deze uitspraak doet de roman geen recht, want Grunberg heeft zeker literaire ambities. Hij vult deze ambities alleen op een andere manier in dan men van hem gewend is. Thomas Vaessens (UvA) schreef over Grunberg een artikel, namelijk De romanschrijver als journalist. Arnon Grunberg tussen fictie en non-fictie. Hij meent dat Grunberg de afgelopen jaren is veranderd in een romanschrijver die uitvoerig onderzoek doet voordat hij aan een roman begint te schrijven. Grunberg heeft zich echter niet altijd zo gepositioneerd. De roman Blauwe maandagen (1994) wordt door critici bestempeld als het werk van een schrijver die niets serieus neemt. Daardoor werd de schrijver ook wel gezien als een ironisch postmodernist, omdat hij van alles afstand nam. Kijken we echter naar recentere romans, zoals de bestseller Tirza (2006), dan zien we volgens Vaessens een hele andere Grunberg. De schrijver is voor het schrijven op onderzoek gegaan naar de betekenis van de werkelijkheid. Wat de werkelijkheid betekent, is per roman anders. Maar duidelijk is dat het in Grunbergs werk dus niet meer alleen gaat over de literaire kwaliteiten, maar ook om de alledaagse werkelijkheid.

Vaessens neemt ook een andere ontwikkeling waar in het journalistieke werk van Grunberg. De schrijver heeft een andere weg genomen en wilde iets nieuws beginnen, namelijk onder de mensen zijn. Dat was voor hem de reden om de wereld te onderzoeken en vanaf dat moment zichzelf een embedded journalist te noemen. Grunberg was volgens Vaessens op zoek naar echtheid. Deze term botst met de jonge Grunberg die nergens bij wilde horen. Het documentaire karakter van romans zoals Onze oom en van zijn journalistieke werk gaan dus niet meer samen met het oppervlakkige karakter van de jonge postmodernist. De lezers en recensenten raakten in de war en konden Grunberg nergens meer bij plaatsen.

Thomas Vaessens schetst de context waarin we Grunbergs voorkeur naar journalistiek en non-fictie waarnemen. Joost de Vries heeft eerder willen laten zien dat de puur esthetische roman uit de mode is geraakt. Dit betekent dat de realiteit voor de schrijver nu meer relevant lijkt dan bijvoorbeeld de stijl van een roman. Met deze ontwikkeling komt een volgende relevante beweging: recente literatuur zoekt opvallend vaak de grens tussen fictie en non-fictie op. Ook de omgekeerde weg wordt bewandeld: journalisten die de stap maken om fictie te gaan schrijven, omdat fictie voor hen een beter medium is om de waarheid te vertellen. Dit komt omdat ze van mening zijn dat met literaire technieken de feiten op een aantrekkelijker manier worden gepresenteerd. Volgens Vaessens zien we hier een paradoxale redenering, namelijk dat een schrijver fictie nodig heeft om een realiteitseffect te creëren. Fictie is blijkbaar een beter medium om de werkelijkheid te onderzoeken en te beschrijven dan methodes die in de journalistiek worden gevolgd. Fictie en non-fictie gaan dus allianties aan (Vaessens, 2010).

De middelen om de werkelijkheid te beschrijven, kunnen zowel vanuit de fictionele wereld komen als de middelen van een journalist. Odile Heynders liet aan de hand van Ian Buruma’s Murder in Amsterdam, The Death of Theo van Gogh and the Limits of Tolerance (2006) zien dat verbeeldende en betogende passages elkaar afwisselen. Volgens haar is Buruma’s essay effectief dankzij de verweving van feitelijke informatie, narratieve verbeelding, conjuncturele omstandigheden en fricties. Het essay geeft aanleiding tot narratieve identificatie en zet de lezer tot denken over de werkelijke situatie in bijvoorbeeld een publieke omgeving als een samenleving. Het essay geeft een beeld van relevante kwesties en doet dat door het gebruik van literaire middelen. Het is opgebouwd uit argumenten die met elkaar in relatie staan en het resulteert volgens Heynders in het schrijven als onderzoeken. De tekst geeft dus aanzet tot meedenken, reactie en discussie. Het essay mag dan wel geen fictie zijn, zoals de romans van Grunberg, maar Buruma heeft wel zijn fantasie ingezet om de voorstelling van zaken scherp op te schrijven.

Als we ons focussen op het journalistieke en essayistische werk van Grunberg, zien we volgens Vaessens drie kernwoorden steeds terugkomen: participatie, verankering en inbedding. Grunberg is met deze concepten aan het spelen om de ‘echtheid’ van de literatuur te onderzoeken. Hij heeft dus ambities die de literatuur te buiten gaan (Vaessens, 2010). De roman dient voor Grunberg als een instrument om de waarheid te vinden. Een opvallende uitspraak van Grunberg in het boek Kamermeisjes & soldaten (2009):

 ‘Ik heb geen andere verplichting dan mijn werk’[3]

Hiermee doelt Grunberg dat hij altijd op de eerste plaats een schrijver is. Hij staat altijd in dienst van zijn romans die uiteindelijk worden gevoed door Grunbergs observaties van de realiteit. De werkelijkheid die wordt beschreven in de roman, is voor Grunberg dus belangrijk, maar hij heeft dus tegelijkertijd ambities die buiten de literatuur omgaan (Vaessens, 2010)

In zijn artikel plaatst Vaessens de schrijver in het laatpostmoderne veld. Laatpostmoderne auteurs stellen de vraag wat er nog te redden is van humanistische waarden als authenticiteit, echtheid en waarheid, nadat het postmodernisme deze waarden in diskrediet hebben gebracht. Ook Yra van Dijk constateert de ontwikkeling die Grunberg vanaf zijn debuut heeft gemaakt. Volgens haar neemt Grunberg afstand van de postmoderne positie door in zijn werk ‘ethische momenten’ te verwerken. Grunbergs positie tussen fictie en non-fictie heeft dus te maken met de consequentie van zijn nieuwe laatpostmoderne positie. Vaessens onderzocht deze these aan de hand van uitspraken die Grunberg doet over bepaalde zaken, zoals de verhouding literatuur en schrijver tot het publiek en de relatie tussen werkelijkheid en fictie. Het gaat te ver om het hele onderzoek hier te bespreken, maar ik wil graag wel de belangrijkste conclusies bespreken.

Samen met de afkeer voor het postmodernisme, moet Grunberg ook niets meer hebben van het stijlmiddel ironie. Ironie verzwakt de relativering van de schrijver. Grunberg wil dat het publiek hem serieus neemt, in plaats van hem altijd te plaatsen als de schrijver met de ironische houding. Dit blijkt ook uit de uitspraken die sommige personages van Grunberg hebben:

‘De ironie die tegenwoordig aan het heldendom kleefde had zichzelf overbodig gemaakt, nu alles ironisch was geworden, de oorlogen, kranten, het nieuws. Het werd tijd voor ernst.’ [4]

Ook maakt Vaessens duidelijk dat Grunberg nadenkt over de functie van verhalen en het verschil tussen zijn journalistieke werk en zijn fictie. De schrijver vindt dat in fictie alles kan en mag, maar in reportages ben je gebonden aan bepaalde regels. Ik denk dat dit ook in relatie staat met de waarde die Grunberg hecht aan de ‘echtheid’ van een tekst en de mate waarin een lezer de tekst serieus neemt. Bovendien geeft Grunberg nu aan dat hij ergens deel uit van wil maken en ergens bij wil horen. Eén van de kwaliteiten van een schrijver is ook dat hij de vrijheid heeft om meerdere standpunten in te nemen en meerdere identiteiten te hebben. Ook in zijn rol als journalist onderzoekt hij steeds wisselende realiteiten en zoekt hij de ander op. Kortom, Grunberg keert zich tegen een van de werkelijkheid en de mensen losgezongen literatuur, hij reflecteert op de veranderende rol van literatuur, hij verzet zich tegen zijn oude neiging tot ironie en ten slotte stelt hij de relatie tussen fictie en non-fictie ter discussie.

Het artikel van Vaessens laat een belangrijke beweging zien in de Nederlandse literatuur, namelijk de vervaging tussen fictie en non-fictie. Vaessens onderzocht dit aan de hand van het oeuvre van Arnon Grunberg. Geheel nieuw is dit natuurlijk niet, er zijn genoeg andere onderzoekers aan te wijzen die deze relatie al hebben onderzocht. Daarnaast vind ik dat Vaessens te weinig aandacht besteed aan de typische manier waarop Grunberg de werkelijkheid beschrijft. Hij vermeldt kort aan het eind van zijn artikel dat het schrijverschap van Grunberg vol zit met paradoxen en ambivalenties, maar gaat er verder in relatie tot het voortgaande niet meer op in. Wel doet hij dat bij andere schrijvers in zijn boek De revanche van de roman, door hem geschreven in 2009. Het is inderdaad typerend voor Grunberg dat hij een serieuze inzet toont, maar de auteur wil zich tegelijkertijd ook bewust tonen van valkuilen. Grunberg is een persoon die zeer ongrijpbaar is in het publieke debat. Zijn nieuwe oprechtheid lijkt geloofwaardig te zijn, maar het kan ook een spel zijn.

Het werk van Grunberg is dus reden tot discussie en lijkt te divers om algemene uitspraken over te doen, maar er zijn toch onderzoekers een poging wagen. De volgende keer laten we Geert Buelens (Universiteit Utrecht) aan het woord. Hij heeft zich verdiept in de ironie, ernst en overtuigingskracht.

Bronnen

[1] ‘Waarom zou je het goede aanbidden?’- Interview met Arnon Grunberg door Joost Cloostermans (10 maart 2008)

[2] Zie recensie: Het boeit de personages ook niet zo, wat Grunberg schrijft van Hannes Dedeurwearder in 2008. http://www.8weekly.nl/artikel/6892/arnon-grunberg-onze-oom-het-boeit-de-personages-ook-niet-zo-wat-grunberg-schrijft.html

[3] In: Kamermeisjes en soldaten (2009) – Arnon Grunberg. P. 7.

[4] In: Arnon Grunberg, De joodse Messias, Amsterdam, 2004, 22

Reacties

2 comments on “Waarheid is net een toverbal die van kleur verandert #2”
  1. Anna schreef:

    Mja, Grunberg is niet voor één gat te vangen. Zijn krantenschrijfsels probeer ik zoveel mogelijk te volgen en verder las ik zijn debuutroman Blauwe maandagen en Tirza al. Ook de rest van zijn oeuvre zou ik graag lezen, hij verrast toch telkens weer vind ik…

    Liked by 1 persoon

    1. Anna Husson schreef:

      Het is inderdaad moeilijk om hem ergens te plaatsen, maar dat maakt hem wel een interessante schrijver, vind ik haha. Bedankt voor je comment!

      Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s