Modieus academisme: Het vullen van de leegte na het postmodernisme?

Ongeveer een maand geleden schreef ik over het radicaal relationisme, een term van Olnon en Van Dijk. Met radicaal relationisme bedoelen ze dat sommige romans uit de jongste Nederlandse literatuur niet meer over de existentiële leegte gaan, maar ‘deze teksten gaan een stap verder en verkennen de mogelijkheden en beperkingen van de constructie van het individu (of subject) te midden van, en vooral ook door anderen. In hun essay verwijten ze schrijver Joost de Vries ook van een mimetische literatuuropvatting. Volgens hun zet De Vries deze romans weg als irrelevant, miskent hij het belang van relaties voor de identiteit van de personages en schenkt hij te veel aandacht aan de karakterinhoud van deze romans. Na het publiceren van mijn blogpost over het radicaal relationisme, werd ik erop gewezen dat Joost de Vries een mooie reactie op het artikel van Olnon en Van Dijk heeft geschreven (veel dank daarvoor!). 

In deze reactie schrijft De Vries dat Olnon en Van Dijk een scheve vergelijking hebben gemaakt. De theorie van het radicaal relationisme wordt opgehangen aan de romans van Polak en Weijers, twee romans die in De Vries’ essay niet voorkomen. Hij schrijft over de tweede romans van onder andere Maartje Wortel en Franca Treur en deze worden niet of nauwelijks genoemd in het essay van Olnon en Van Dijk. Bovendien heeft De Vries nooit gezegd dat de romans van de nieuwe generatie irrelevant zijn, want ze behandelen bijvoorbeeld relevante thema’s. Hij blijft echter moeite houden met de personages van deze romans, want dit zijn allemaal soortgelijke mensen: ‘twintigers, hoogopgeleide mensen, schoon van trauma’s en armoede, en allemaal staan ze met hun rug naar het leven toe, is het ze fundamenteel onmogelijk zichzelf als hoofdrolspeler van hun leven te zien.‘ Wat de personages volgens De Vries allemaal met elkaar gemeen hebben, is hun distantie: ‘Geen van hen is bezig zijn leven te leiden, diepe contacten te leggen met andere mensen, iets te ondernemen dat iets voor andere mensen betekent. Geen van hen heeft vrienden, geen van hen heeft een gepassioneerde liefde. Het is alsof tussen henzelf en hun leven tientallen kilometers liggen, een onoverbrugbare afstand.’

De Vries legt verder uit dat niet alleen de personages hun eigen leven op afstand houden, maar de schrijvers daarmee ook hun lezers. Deze personages zullen de lezer geen wijsheid geven over liefde en relaties of over maatschappelijke evoluties: ‘Je zal ouder worden, kinderen krijgen of niet, trouwen of niet, conservatiever worden of niet, ontslagen worden of niet, je huis brandt af, je ouders krijgen kanker, je kat wordt doodgereden door een pizzakoerier – maar niets van wat je mee zult maken zal gespiegeld worden in de kandidaten (personages).’ Als lezer sta je er dus helemaal alleen voor.

Olnon en Van Dijk menen dat De Vries voor feelgoodliteratuur pleit of op zijn minst raadgevende, maatschappelijke literatuur. Deze, volgens hen, mimetische literatuuropvatting past bij het tijdperk van de reality-tv. De Vries reageert: ‘wie denkt dat reality-tv een afspiegeling van de werkelijkheid is, heeft of geen besef van tv, of geen besef van reality. Van Dijk en Olnon zitten misschien zelfs zo in een academisch discours vast dat ze niet meer zien ‘waar het leven ophoudt en literatuur doorgaat‘. Kunst die het leven overstijgt is kunst die nergens nog het leven raakt, waarin elke poging een personage echt te maken, is opgegeven. Het probleem is niet dat personages een afstandelijk gevoel ten opzichte van hun leven voelen. Maar dat schrijvers hun personages bijna niets laten doen om die afstand te overbruggen, bijvoorbeeld door humor, een maatschappelijke ambitie of een oprecht verlangen naar een ander mens, is volgens De Vries niet goed: ‘Om het nog maar wat platter te formuleren, zodat er niet nog een keer overheen gelezen wordt: de personages hebben levens die uiteindelijk alleen op de bladzijde stand kunnen houden, waar ze van inkt en papier alleen kunnen leven.’ De Vries benadrukt dat literatuur natuurlijk niet om ‘echte’ mensen draait, maar dat juist het fictionele schrijvers in staat stelt om thema’s te onderzoeken die in het echt niet kunnen.

Een ander verwijt van Olnon en Van Dijk is dat De Vries niet inziet dat de romans bij uitstek over relaties gaan, hoe eenzaam de hoofdpersoon ook is. Deze romans bieden volgens hen wellicht geen oplossingen of een bepaalde wijsheid, maar ze laten wel zien waar het misgaat. De Vries gaat hier tegenin door te zeggen dat het nooit eens anders kan dan misgaan: ‘Het gaat altijd mis, er is alleen maar onvermogen, in élk boek – en als de uitkomst van het experiment vanaf de eerste bladzijde al vaststaat, dan kun je het geen experiment meer noemen. Want wat toon je aan, wat onderzoek je? Wat staat er op het spel’? En dan maakt het niet meer uit hoevaak je spreekt over relaties, identiteit en engagement, want uiteindelijk krijgt literatuur pas betekenis als de auteur iets op het spel zet of zich committeert aan een onderwerp, een wereldbeeld of een vraagstuk, meent De Vries.

Een schrijver kan zijn personages gebruiken als instrumenten om zijn lezers langs thema’s en onderwerpen mee te nemen, legt De Vries verder uit. Hij ziet de personages van de romans als sleutels die het huis van de literatuur kunnen openen. Maar wanneer deze personages zo afstandelijk zijn, lijkt het wel alsof ze de deuren niet kunnen openen maar alleen kunnen sluiten: ‘Als het onderzoek van een onderwerp altijd eindigt met de negatie van dat onderwerp, wat laat je als schrijver je lezer dan nog zien? Alleen de façade van het huis, nooit de inhoud.’

‘Ik pleit alleen voor feel anything literatuur; je hoeft er niet blij van de worden, een roman hoeft geen happy ending te hebben, geen levenslessen te ontrafelen, er hoeft iemand te trouwen, geen puppy’s geaaid, maar je wilt wel dat de mogelijkheid van gevoel bestaat, dat er niet alleen negatie is’. 

De Vries doelt op het menselijke vermogen tegenover het menselijke onvermogen. Het menselijke vermogen is altijd een relevant literair onderwerp, meent De Vries, want je kan allerlei kanten ermee op. Het menselijke onvermogen is daarentegen statisch, je kan er niets mee.

De Vries concludeert dat hij altijd op zoek is naar wat literatuur kracht geeft, betekenis, naar schrijvers die zich committeren aan een onderwerp. Olnon en Van Dijk zijn volgens De Vries ergens anders mee bezig: om voor de zoveelste keer vast te stellen wat er na het postmodernisme komt, hoe ze de leegte kunnen vullen: ‘ Ze creëren daarmee een discours dat losstaat van de interessantste vraag van allemaal, namelijk de vraag wat literatuur literatuur maakt.’

Bronnen
Olnon, M. & Van Dijk, Y. (2015). Radicaal relationisme. Het andere engagement in de jongste Nederlandse literatuur. In: De Gids, no. 3/2015. Zie: https://de-gids.nl/2015/no3/radicaal-relationisme

De Vries, J. (2015). Modieus academisme. In: De Gids. no. 3/2015. Zie: https://de-gids.nl/2015/no4/modieus-academisme

Reacties

One comment on “Modieus academisme: Het vullen van de leegte na het postmodernisme?”
  1. just read schreef:

    graag gedaan

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s