De roman uit haar monologische isolement

Wat is goede literatuur en wie bepaalt dat? Deze vragen worden regelmatig in het literaire debat gesteld en kunnen op verschillende manieren worden beantwoord. Ook Saskia Pieterse, literatuurwetenschapper aan de Universiteit Utrecht, houdt zich met deze vragen bezig, maar voor haar artikel De emancipatie van de lezer heeft ze zich meer gefocust op het belang en het engagement van de lezer:

‘Als we ons de lezer voorstellen als een romanpersonage, welke eigenschappen zou zij dan hebben? Schrijvers en literatuurwetenschappers – die nota bene zelf evengoed lezers zijn – lijken niet veel theoretische of kritische belangstelling voor haar te hebben: in literatuurwetenschappelijke of poëticale teksten is de lezer vaak niet veel meer dan een lege huls, een flat character, een schim ergens op de achtergrond. De complexiteit van engagement wordt doorgaans gelokaliseerd in de schrijver of in de tekst, niet in de lezer – die blijft grotendeels buiten beeld.’

Het belang van de lezer wordt volgens Pieterse dus genegeerd, zelfs in boeken die over het ethisch potentieel van het lezen van literatuur gaan. Neem bijvoorbeeld de studie van J.M. Coetzee and the Ethics of Reading. Pieterse legt uit dat in dit boek op het eerste gezicht de lezer in de centrum van de aandacht staat: De houding van de lezer ten opzichte van de tekst wordt besproken, de openheid die het lezen van ons vraagt, de bereidheid tot het ondergaan van een literaire ervaring etc. Maar het is uiteindelijk de tekst die deze ervaringen vertegenwoordigt en mogelijk maakt, niet de lezer. Dit denken leunt op een homogeen beeld van de lezer, meent Pieterse. De persoon die leest wordt pas interessant omdat er gelezen wordt: ‘Welke ethiek deze persoon er al vóór dit lezen op nahield en hoe deze ethiek inwerkt op de leeservaring (en, omgekeerd, hoe de leeservaring inwerkt op de bestaande ethiek), welke diversiteit er kan zijn in ethische posities tussen lezers onderling: dat alles komt eigenlijk niet in beeld.’

Ook uit actuele debatten over literatuur blijkt dat schrijvers en critici weinig interesse tonen voor de ervaringen die lezers met zich meebrengen zodra ze een boek lezen, legt Pieterse uit. Ze neemt als voorbeeld Gloria Wekker, die samen met andere vrouwen bezwaar maakte tegen de ontmenselijkende representatie van voornamelijk Surinaamse en Antilliaanse vrouwen in de roman Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje. Wekker nam een duidelijke politiek-ethische overtuiging mee naar de literatuur: ‘de verwachting dat literaire werken beter weten dan klakkeloos diep gewortelde en reëel kwaad aanrichtende stereotypen in te zetten.‘ In de literaire kritiek bleef het echter stil en de roman werd beloond met een Gouden Uil en diverse nominaties. Men liet zich dus niet uit over deze kwestie.

Er volgde wel een reactie van Frits Abrahams, columnist en redacteur bij NRC Handelsblad. Hij vond dat de lezers van Alleen maar nette mensen de functie van literatuur en fictie niet begrepen:

‘De schrijver werd volledig vereenzelvigd met zijn hoofdpersonage, de werkelijkheid van het boek werd op de werkelijkheid van de Bijlmer gelegd. De roman bestond niet meer, het was een journalistiek feitenrelaas geworden waarin geen ‘eerlijk beeld’ van de zwarte samenleving werd gegeven. […] Veel lezers willen niet begrijpen dat een roman een proeftuin van de verbeelding is, waarin taboes taboe zijn en de schrijver ook het onkruid mag laten groeien. Als hij ideologische propaganda wil bedrijven, schrijft hij een slechte roman en kan hij daar op worden afgerekend.’

Lezers begrijpen volgens hem dus niet dat fictie niet direct te betrekken is op het leven zelf, legt Pieterse uit. Daarnaast werd de roman juist beloond om zijn ‘veronderstelde journalistieke effect’ doordat het boek een ‘genadeloze inkijk zou geven in de multiculturele samenleving’. Wie de schrijver op kritische wijze aanspreekt op datgene wat hij schrijft, krijgt vaak te horen dat kunst altijd de vrijheid moet hebben en geen directe sociale of maatschappelijke verantwoordelijkheden kent. Kunst opereert dan in een eigen ruimte. Ook in deze discussies wordt de lezer geheel vergeten. Het is de lezer die het werk tot leven brengt en bereid moet zijn haar of zijn verbeelding te gebruiken. Het is volgens Pieterse dan ook verbluffend dat de lezer in veel literatuurwetenschappelijke theorieën impliciet wordt neergezet als iemand zonder eigen ethische daadkracht: een cultuurconsument die het verschil tussen fictie en realiteit niet weet.

Pieterse vindt het wereldvreemd te veronderstellen dat de lezer een soort ‘lege verbeelding’ heeft die pas geactiveerd kan worden door de literatuur. De tekst bevindt zich immers nooit in een volstrekt apolitieke of amorele ruimte: ‘Het is de lezer die al vóórdat zij de romanwereld instapte de onvoorspelbare complexiteit van de wereld ervaren en overdacht heeft, en het zijn die gedachten die zij wil relateren aan de wereld die in de roman ten tonele wordt gevoerd.‘ Die denkbeelden hoeven volgens Pieterse niet gespiegeld of bevestigd te worden, maar je moet wel met de roman in gesprek kunnen. De vrouwen die bezwaar maakte tegen Alleen maar nette mensen brachten dus hun eigen ervaringen mee naar die roman, maar het gesprek werd al direct afgekapt: ‘want voor de veelkantigheid van hun leven kon geen plaats gemaakt worden door een ambitieuze auteur die een stevig partijtje mee wilde blazen over ‘de multiculturele samenleving’.

Het was duidelijk dat de lezer zich engageerde in deze kwestie en daarbij een verantwoordelijkheidsgevoel verwachtte. Ook op social media vindt je allerlei vormen van kritiek op bijvoorbeeld stereotypering en misrepresentatie. Dit gaat dus over een nieuwe mondigheid van het publiek. Deze mondigheid is echter vooral in genres die niet tot de ‘hogere’ cultuur worden gerekend, zoals literaire genres als science fiction en young adult. In deze genres besteden lezers vaak veel tijd aan debatten, met als gevolg dat het belang van bijvoorbeeld diversiteit, gender en etniciteit veel besproken wordt.

Deze onderwerpen zijn natuurlijk niet de enige dimensies waarbinnen politieke-ethische vraagstukken afspelen en de lezer is per definitie niet altijd het toonbeeld van ethische gevoeligheid. Er zijn veel auteurs die het politieke engagement van een publiek uiterst serieus nemen, legt Pieterse uit. Deze schrijvers gaan er niet vanuit dat pas dankzij en via de wijsheid van de kunst er politiek bewustzijn ontstaat. Dat bewustzijn is al aanwezig en het is aan de kunst om dat aan te scherpen. De lezer staat dan op gelijke hoogte aan de schrijver. Toch meent Pieterse dat er in de Nederlandstalige fictie eerder een blokkering dan een bevordering van de uitwisseling met de lezer bestaat. Er is bijvoorbeeld een ‘kokervisie die de gehele Nederlandse literatuur parten speelt als het aankomt op de verbeelding van ‘niet-wit’ Nederland.‘ Wanneer een schrijver daarop wordt aangesproken, reageren ze meestal gekwetst en voelen ze zich onbegrepen. Daardoor komen debatten vaak niet van de grond en blijft deze ‘Oost-Indische doofheid voor kritische geluiden‘ bestaan.

Dit is een onderdeel van een groter literair problemen, meent Pieterse. De hedendaagse roman heeft zich volgens haar te veel in zichzelf opgesloten. Schrijfster Elif Batuman denkt dat de roman op de een of andere manier ‘monologisch’ is geworden. De taal van de roman is een soort hogere taal geworden en ze hoopt dat de roman wat meer in de richting van dialogica trok en weg van het idee van ‘pure’ fictie. Ook schrijver Maxim Februari pleit voor geen goede boeken, want juist ‘door de ongemakkelijkheid, de taaiheid, het gebrek aan stilistische eenheid van hun werk kan de lezer tot een inhoudelijk inzicht komen dat elders nog niet eenvoudig te verwerven is.

‘De roman kan pas een geëngageerde functie vervullen als hij mislukt, als ‘de regels van de kunst’ niet geëerbiedigd worden en de lezer niet goed meer weet wát hij op zijn bord heeft aangetroffen en er niks anders opzit dan de roman te verorberen door er op te blijven kauwen.’

Pieterse concludeert dat engagement vooral in de lezer zit. Als de roman uit haar monologische isolement wil raken, moeten critici, schrijvers en literatuurwetenschappers het engagement van de lezer ernstig nemen. En dat kan volgens Pieterse pas, als die lezer een complex, gelaagd personage mag worden, met een eigen ethische inbreng.

Reacties

One comment on “De roman uit haar monologische isolement”
  1. Eclect schreef:

    sja, wat wil ik als lezer?
    Ik denk vooral meegesleept worden.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s