De schrijvende politicus tegenover de politiek uitgesproken schrijver

‘Wat moet je, Tommy, toch met Baudet? Eerst dat seksisme en nu weer die opmerking van hem over homeopathische verdunning van de Nederlandse bevolking. En jij, Thierry, waarom zou je praten met iemand die god­ betert twee romans over migratie schreef? Nota bene voor dat linkse blaadje Vrij Nederland waar ooit hoofdredactionele excuses werden gestameld na publicatie van een interview met hem.’

Twee schrijvers met een groot ego, twee opponenten met een duidelijke mening. Ze worden tegenover elkaar gezet: Waar gaan ze over praten? Welke poses nemen ze aan? Vinden ze raakpunten of wordt het een ongemakkelijk gesprek? Vrij Nederland publiceerde vorige week een opmerkelijk interview met politicus en schrijver Thierry Baudet en schrijver Tommy Wieringa. Twee mensen die je niet zomaar tegenover elkaar zet. Toch hebben de schrijvers meer met elkaar gemeen dan dat ze in eerste instantie dachten en voeren ze interessante gesprekken over taal, filosofie, kunst, cultuur en literatuur.

De mannen zijn gewaagd aan elkaar en Wieringa spreekt al snel over Baudets uitspraak over de homeopathische verdunning van de bevolking. Baudets voorkeur voor ‘sweeping statements’ moet hij maar snel afleren als hij inderdaad het anders bedoelt dat hij zegt, meent Wieringa: ‘Anders zul je je de hele tijd verdedigen tegen mensen die je woorden verkeerd begrijpen. En die, zoals ze er staan, niet anders begrepen kunnen worden.’ Baudet verdedigt zichzelf door te spreken over het alledaags gebruik van de taal. Deze laat veel ruimte aan allerlei vormen van overdrijven, metaforen, ironie en understatements. Baudet vindt dat spel leuk, maar journalisten vervormen zijn uitspraken vaak waardoor het ineens heel extreem of absurd overkomt, meent hij.

De interviewer vergelijkt de literaire met de politieke wereld en meent dat je in de politiek ofwel vaag bent in je uitspraken ofwel eenduidig. Het gebruik van literaire taal brengt je als politicus dus in de problemen en dat is lastig als je je literaire geest wilt behouden. Wieringa voegt hieraan toe dat bepaalde onderwerpen, zoals de massa-immigratie, om uiterste precisie vragen. Baudet moet zich dus opniew verdedigen en wilt dat mensen begrijpen dat hij helemaal niet voor raszuiverheid is. Hij geeft toe dat zijn literaire vrijheid misschien niet te rijmen valt met zijn politieke bestaan. Hij blijft echter voornemen vrij te blijven praten:’ Analoog aan wat T.S. Eliot expliciet in Four Quartets verwoordt: dat het de taak is van de intelligentsia om de taal zuiver te houden?’. Dat bedoelt hij natuurlijk niet in racistische zin, maar hij vindt dat we een veel interessante en rijkere wereld krijgen als we niet allemaal de angst hebben iets verkeerd te zeggen.

De twee schrijvers vinden elkaar als ze over de Duitse cultuurhistoricus en geschiedfilosoof Oswald Spengler (1880-1936) spreken. Voor Baudet is Spengler ‘de grootste worsteling in zijn leven’. Daarbij doelt hij op Spenglers aanval op het renaisscanceconcept: ‘op de gedachte dat wij in staat zijn als beschaving om ons opnieuw te enten, zoals we deden in de veertiende eeuw. Voor zijn cultuurpessimisme moet Spengler dus duidelijk maken dat de Renaissance de meest onhistorische periode uit de geschiedenis is geweest. Een grote leugen, waarin weliswaar in naam allerlei vormen en taal werd overgenomen uit de Oudheid, maar niet de ziel.‘  Baudet gelooft niet in de constante stijlontwikkeling in de kunsten of een tijd die voortstuwt en waaraan we ons niet kunnen onttrekken:

‘Het project van mijn leven bestaat eruit dat ik de heelheid van de wereld wil herstellen: de heelheid die er voor de Eerste Wereldoorlog was. Kunsten gingen nog over een coherent verhaal, een ideaal.’

Vanaf het modernisme overheerst de gedachte dat het uitdrukken van een ideaal belachelijk is, legt Baudet uit. Het gaat meer over wanorde, lelijkheid en over grenzen die continu moeten worden overschreden. Iets als het veilige bestaat niet meer. Men koestert nog wel de kunst van vroeger, meent Baudet, maar men is van mening dat we die kunst nu niet meer kunnen of mogen maken. In de politiek vertaalt dit zich in het opheffen van landsgrenzen. Baudet verwijst naar Dit zijn de namen van Wieringa: ‘Het gaat eigenlijk over grenzen, over ontworteling. Op het moment dat die man het jodendom ontdekt, ervaart hij geborgenheid: hier hoor ik bij.’  Alle ijkpunten zijn volgens Baudet dus weg en alle kenmerken die Spengler aan een stervende beschaving heeft gegeven, zijn in onze samenleving aanwezig.

Voor Wieringa betekent de gedachtegang van Spengler echter iets anders. Hij benadrukt de strijd die we constant hebben: ‘Strijd is wel te vermijden en er zijn wel bepaalde vormen om het niet de hele tijd tot bloedvergieten te laten komen, maar beschaving is bedwongen strijd en veel van onze omgangsvormen, het schudden van een hand, het elkaar niet te lang aankijken, is allemaal bedoeld om te maskeren dat we elkaar naar het leven staan.’ Als voorbeeld neemt Wieringa de roman Voorwaardelijke liefde van Baudet. Het is volgens hem een evocatie van strijd tussen de seksen.

De mannen buigen zich ook over de romantische held in de literatuur en in de politiek. Ze zijn het eens dat de romantische held in de politiek moeilijk te vinden is, aangezien de Duitse romantiek antiburgerlijk en anti-intellectualistisch is. Wieringa vindt dat de romantiek een valse voorstelling van zaken geeft. Hij wil in zijn boeken de bestaansproblematiek van personages onderzoeken en vindt dat je niets aan de romantiek hebt: ‘Het is een kille wetenschap, uiteindelijk, de literatuur. Steeds killer, naarmate ik ouder word.’ Baudet gaat daar tegenin: ‘Maar je bent toch geen onderzoeker die boven een proeftuin hangt, met meetinstrumenten?’ Tijdens het schrijven ervaart Baudet juist het gevoel dat de roman hem dwingend een werkelijkheid gaat opleggen. Het boek neemt jou over en het wil geschreven worden: ‘een deel van mezelf heb ik in het boek (Voorwaardelijke liefde) gelegd en ik ben een deel van het boek geworden.’

Ten slotte praten de schrijvers over de literaire wereld. Baudet heeft de indruk dat deze wereld erg in zichzelf gekeerd is. Het is volgens hem een overwegend links milieu, dat geen oog heeft voor rechtse schrijvers. Ook stelt hij Wieringa een vraag: ‘Begrijp ik het goed dat je van mening bent dat smaak losstaat van algemene maatschappijvisie? Dat het iets louter technisch iets? En dus nooit politiek en daarmee gekleurd?’ Schrijven is volgens Wieringa geen circusact, het kost veel tijd en engagement is vaak puur literair. De meest weerzinwekkende ideeën van schrijvers zijn volgens Wieringa dus alleen goed door de manier waarop ze zijn geschreven is: ‘De stijl is een klinkend verzoek tot begrip.’ Baudet vindt dat te makkelijk en te weinig betrokken. Hij is op zoek naar een antwoord op de zelfdestructie in de westerse beschaving. Schrijvers en politica hebben volgens Baudet de plicht dingen te voelen en dieper na te denken over dingen: ‘Ik denk niet voor mezelf, niet voor mijn eigen individuele belangetje, ik denk voor Nederland.’

‘Als het alleen maar de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie was, dan had je geen lezers. De dichter is ook een heilige, die een voorspreker is van de mensen bij de goden. En of dat nu in het pantheon der letteren is: jij vertegenwoordigt ook mensen, jij geeft hen een stem.’

Wat vind jij van dit opmerkelijke interview tussen de schrijvende politicus en de politiek uitgesproken schrijver?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s