Waarheid is net een toverbal die van kleur verandert #4

Vorige delen gemist? Lees de inleiding, deel twee over het grensverkeer en ironie en deel drie over Grunbergs oneliners.

Deel 4: Arnon Grunberg in het publieke debat

Het schrijverschap bestaat uit meer dan alleen romans schrijven. Om het werk te verkopen moet een auteur ook zichtbaar zijn voor zijn publiek. Er is in de laatste jaren steeds meer aandacht voor het fenomeen van de schrijver als een publieke intellectueel. In hoeverre kan een schrijver reageren op de samenleving om zich heen en welke middelen gebruikt een schrijver om het publiek bij zijn denkwijze te betrekken? In het hiernavolgende wil ik een genuanceerd beeld geven over de positionering van schrijvers als publieke intellectuelen en specifiek in het geval van Arnon Grunberg. Hij presenteert zich als publieke persoonlijkheid die met al zijn activiteiten aandacht genereerd voor zijn schrijverschap. Zijn schrijverschap is dan ook moeilijk in één woord samen te vatten:

‘Dat is ook het imago waaraan Grunberg handig werkt: hij is altijd onvoorspelbaar, verrassend, beweeglijk, onvatbaar en cru. […] De echte Grunberg laat zich niet kennen.’ [1]

Ook is er enorm veel media-aandacht voor Grunberg sinds zijn debuut in 1994. Wanneer er weer een nieuwe roman is uitgekomen, staat de media vol met recensies. De kranten willen hem interviewen en Grunberg is dan vaker te zien op de televisie. Toch lijkt de schrijver zich af te zetten tegen deze aandacht in de media. In april 2000 schreef hij in De Volkskrant dat het beeld dat rondom hem wordt gecreëerd berust op halve waarheden en halve onwaarheden: ‘Alles wat ik zeg en dus misschien niet helemaal meen, zal over tien jaar nog steeds spelen’, zegt Grunberg [2]. Naar zijn boeken zal, volgens Grunberg, dan nauwelijks worden gevraagd. Toch is dit in mijn visie het rollenspel dat hij zelf heeft gestart. Het rollenspel lijkt zelfs typerend te zijn voor de manier waarop Grunberg zich in de publieke ruimte presenteert. Om hier meer inhoudelijk op in te gaan wil ik eerst een kader scheppen over het fenomeen van de publieke intellectueel.

De eerste vraag die moet worden beantwoord, is wat een publieke intellectueel precies inhoud. Het idee van intellectuelen begon met het idee dat mensen elkaar gingen ontmoeten in cafés en daar over bepaalde kwesties discussiëren:

 ‘Intellectuals begin at Calais (…) they lose no time moving to Paris. The café is assumed to be the natural habitat of the species; passionate, high-principled debate its preferred nourishment; demonstrating, signing manifestos, and denouncing abuses of power its characteristic activities. And all this in the name of those absolutes – Reason, Truth, Morality, the Rights of Man, the Logic of History.’ [3]

De discussies in deze cafés waren open voor iedereen die mee wilde doen, het kernwoord was dan ook betrokkenheid. De Britse historicus Stefan Collini deed onderzoek naar het ontstaan van de publieke intellectueel. Volgens hem waren de eerste intellectuelen de zogenaamde ‘Men of Letters’ van de Europese Verlichting, zoals Voltaire, Rousseau, Locke en Hobbes. Deze intellectuelen richten zich op een publiek dat in staat is om te lezen, maar die niet per definitie intellectueel is. Ze doen statements die provocatief zijn om vooral het debat in een samenleving op gang te zetten. Een publieke intellectueel is dus iemand die in woord en schrift de publieke opinie moet kunnen beïnvloeden. Deze opinie moet volgens Odile Heynders de mensen kunnen bereiken en tegelijkertijd ze iets leren over de belangrijke politieke en wereldse kwesties. Een publieke intellectueel is er volgens haar op gericht een zoektocht te houden naar de waarheid, de stand van zaken in een samenleving, analyses en moet een goede argumentatie bezitten. Hij vergaart hiermee een bepaalde status en autoriteit waardoor mensen naar hem luisteren en hem serieus nemen.

In het begrip publieke intellectueel schuilt een paradox. Deze paradox gaat over de klassieke combinatie van ‘pure’ cultuur en daarnaast de politieke betrokkenheid die de intellectueel moet bezitten. De intellectueel als literaire schrijver grondvest zijn autoriteit in de autonome wereld van de kunsten en ook op basis van zijn tussenkomst in het politieke leven. De publieke intellectueel moet dus altijd twee taken vervullen. Allereerst, moet hij tot het autonome intellectuele veld behoren waarbij hij zeer onafhankelijk is van religieuze, politieke en economische krachten. Ten tweede, moet hij deze autoriteit en kennis buiten het intellectuele veld uiten. Dit blijkt in de praktijk niet eenvoudig te zijn.

Richard Posner is een andere onderzoeker die het fenomeen van de publieke intellectueel heeft onderzocht. Hij interpreteert het fenomeen vanuit een andere invalshoek dan Collini en Heynders. Posner analyseert het fenomeen meer in de praktijk en kijkt dus naar het debat en de belangrijkste spelers van nu. Bovendien is hij negatiever gestemd over de publieke ruimte dan Collini is. Posner is van mening dat publieke intellectuelen te brede generaliserende uitspraken doen tegenover het publiek. Het publiek wordt dan niet meer bereikt doordat de net genoemde vertaling niet meer wordt gemaakt en het te lastig wordt voor het publiek om iets te begrijpen. Dit probleem is ontstaan toen universiteiten zich te veel specialiseerden en daarmee tegelijkertijd het debat gesloten hielden. Academici zijn dus, met andere woorden, te academisch geworden om het publiek te bereiken.

Naast dat een publieke intellectueel het publiek niet meer bereikt, merkt Posner ook een tweede negatieve beweging op in het veld. Publieke intellectuelen proberen op een creatieve manier te denken over belangrijke zaken die spelen in een samenleving. Daarbij komen ze ook steeds vaker op televisie en zijn ze dus vaker te zien in allerlei programma’s. Met deze ontwikkeling beginnen ze volgens Posner eerder op een beroemdheid te lijken dan een publieke intellectueel. Het veld wordt daardoor zwakker. Daarnaast zijn er veel mensen die door deze beweging de interesse verliezen in de publieke intellectueel, omdat ze niet over bepaalde ontwikkelingen willen nadenken. Posners oplossing voor deze kwestie is een goede wisselwerking tussen het publiek en de intellectueel om een gezond debat te behouden, maar hoe bereik je dat?

Uit al deze kwesties lijkt het dus lastig om een eenduidige definitie te formuleren van de publieke intellectueel. Het ligt er ook aan vanuit welke context de publieke intellectueel wordt bekeken. Vanuit een Amerikaanse visie wordt de publieke intellectueel op een andere manier bekeken dan bijvoorbeeld in de Franse visie. Het is ook van belang om de verschillende perspectieven die de ene publieke intellectueel in acht neemt, te bekijken en te vergelijken ten opzichte van de andere publieke intellectueel. Een goed voorbeeld daarvan is de netgenoemde Amerikaanse Posner, die zich richt in zijn onderzoek op de publieke rol van een intellectueel en daartegenover de Britse Stefan Collini die literaire critici en filosofen bij de intellectuelen schaart. Het zijn dus twee verschillende onderzoekers die vanuit hun eigen context onderzoek doen naar de publieke intellectueel.

Ook als het gaat om de literaire schrijvers als publieke intellectuelen, is de kwestie lastig. Wat zijn de gezamenlijke activiteiten van de schrijvende publieke intellectuelen? Wat is het analytische framework waar ze in werken? Hoe moeten wij de activiteiten van een publieke intellectueel als schrijver evalueren? Schrijvers als publieke intellectuelen bestaan uit een groep die zich enerzijds graag toont in het publieke veld, maar anderzijds is er een groep die de buitenwereld liever mijdt en het publieke debat ontloopt. De eerste groep zijn de mediagenieke schrijvers die met hun mening en werk in verscheidene vormen van media een soort performance doen in plaats van het geven van kwalitatieve argumentatie.

Soms is er dan ook sprake van verwarring tussen een publieke intellectueel en een zogenoemde celebrity. De kwalificaties van zowel een publieke intellectueel als een beroemdheid bewegen soms door elkaar heen. Toch zijn er verschillen. De publieke intellectueel is vaak meer in eigen land te vinden dan een beroemdheid. Een beroemdheid richt haar aandacht eerder op het buitenland omdat daar meer valt te zoeken, zoals publieke aandacht. Wat betreft het privé leven van een intellectueel weten we vaak niet veel, maar hij heeft wel een bepaalde culturele autoriteit die hij moet behouden. Daartegenover staat de beroemdheid die zo open mogelijk spreekt over zijn leven. Zowel de beroemdheid als de publieke intellectueel zijn betrokken tot maatschappelijke kwesties, maar een beroemdheid heeft niet per se culturele autoriteit. Het komt echter ook voor dat het publiek zich meer aangesproken voelt tot een beroemdheid. Wanneer er iets ergs is gebeurd in de wereld, spreken de beroemdheden het publiek aan om op welke manier dan ook een steentje bij te dragen. Er wordt dan wel geluisterd naar een beroemdheid, maar op een andere manier dan bij een publieke intellectueel.

Ook schrijvers kunnen deze rol op zich nemen en zich voordoen als een beroemdheid.
De zogenoemde literaire beroemdheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen in het literatuurwetenschappelijk onderzoek. De onderzoeker Gaston Franssen merkt op dat een literaire beroemdheid controversieel is, omdat hij twee tegenpolen bij elkaar brengt. Allereerst, de conventies die bij het klassieke literaire schrijverschap horen. Ten tweede, het beeld dat wordt verwacht van een publieke persoonlijkheid. De literaire beroemdheid verkrijgt zijn status door een soort sterrenimago. Ik heb eerder al vermeld dat status in het literaire veld wordt verkregen door een imago op te bouwen. Dat imago wordt geconstrueerd in de diverse mediateksten waarin de schrijver zich positioneert, maar ook in de teksten waarin hij wordt gepositioneerd. Het ontstaan van een imago is dus een proces van betekenisgeving[4].

Als het imago een vaste vorm heeft aangenomen, dan is het voor een auteur bijna niet meer mogelijk om het bij te stellen. Aan de ene kant heeft de schrijver een soort marketingstrategie die hij inzet, maar aan de andere kant verzet diegene zich ook tegen de markt door zelfstandig schrijver te zijn. Het voorbeeld van Arnon Grunbergs debuut laat zien dat wanneer een schrijver ook een publieke beroemdheid wordt, het vaak ten koste gaat van de aandacht naar het literaire werk. De receptie van de auteur en zijn werk hangt ook af van instituties zoals critici en redacteurs, maar een schrijver kan hier zelf ook invloed op uitoefenen door openbaar commentaar en reacties te leveren op het oeuvre en het werk dat zij leveren. Deze openbare reacties construeren het literaire auteurschap buiten de teksten om.

Auteurs komen tegenwoordig dus altijd terecht in het spanningsveld tussen de eisen van het literaire veld en de eisen van massamedia. Het fenomeen van de beroemdheid gaat moeilijk samen met het discours van een auteur. Ik verwijs naar Pierre Bourdieu die spreekt over de ‘anti- economische’ houding die klassieke (‘modernistische’) literaire schrijvers hebben. Zij geloven dat ze kunnen ontsnappen uit de commercie en het succes die het met zich meebrengt. Aan de andere kant staat de beroemdheid die het commerciële karakter van de markt juist erkent.

Franssen merkt ook een tweede verschil tussen beroemdheid en auteur op: een auteur wordt volgens hem verwacht om voor het literaire veld de eigen persoonlijkheid naar de achtergrond te schuiven. Kennis van de auteur is dan niet nodig om het literaire werk te kunnen analyseren. Toch zijn er veel schrijvers die zich in de publieke ruimte voortbewegen. Om zichzelf en ook zijn werk te verkopen, is de auteur in deze tijd verplicht om in de publieke ruimte weer tot leven te komen.

Ten slotte, verschilt de celebrity van de literaire auteur in dat de celebrity wordt geassocieerd met herhaling en de literaire auteur met innovatie. In praktijk kan een roman zowel uit vernieuwing als herhaling bestaan, maar over het algemeen wordt de cultuur van de beroemdheden geacht om in herhaling te vallen. Het lijkt soms gemakkelijk om het klassieke auteurschap te scheiden van een beroemdheid auteurschap. In praktijk blijkt deze conclusie te eenvoudig. Een auteur kan beide discoursen in zich hebben, zoals Arnon Grunberg.

Volgende keer wordt verder ingegaan op het auteurschap van Grunberg. Wanneer zien we het klassieke auteurschap en wanneer is Grunberg meer de beroemdheid?

Bronnen

[1] Borré, De Morgen, 6 augustus 2003.

[2] Grunberg in: Peters, de Volkskrant, 7 april 2000.

[3] Stefan Collini, 2006. P 2.

[4] Franssen, G.  (2010). p. 93

Reacties

One comment on “Waarheid is net een toverbal die van kleur verandert #4”
  1. Blauwkruikje schreef:

    Kent u het artikel van Sofie Mulders dd. 10/5/2014 in De Morgen en het debat over Grunbergs uitspraken mbt vervalsing, factchecking en oeuvrebreuk in de roman Oorlog en Terpentijn van Stefan Hertmans?

    Ik las met interesse uw reeks Waarheid is net een toverbal.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s